Herdenken - Hoe lang eigenlijk?

Erfgoedarena 15 februari 2017, over herdenken.
Moderator is Imre Vegh (Debat.nl), tafeldame Hester Dibbits (Reinwardt Academie).
Beschouwingen van Kees Ribbens (bijz. Hoogleraar populaire historische cultuur en oorlog; onderzoeker NIOD, Anat Harel (plv Hoofd Museale Zaken Joods Cultureel Kwartier), Norah Karrouche (onderzoekster en docent wereldgeschiedenis en antropologie; VU/UvA/EUR). Gesproken column door Reinwardt Alumnus Tim Overduin.

“Niemand is tegen herdenken, dat is de vraag niet. Het gaat erom waartoe herdenken dient, en of het zich ontwikkelt. Wanneer zou het voorbij kunnen zijn? Mag je sommige dingen vergeten? En zo ja, wanneer mag dat?” opent Imre.

Op de vraag wat herdenken is, vertelt Hester Dibbits dat het voor haar een samenkomst van individuen is. Vergelijk het met het maken van een statement: je claimt een ruimte en het gebeurt niet in het luchtledige. Tegenwoordig kun je op veel verschillende manieren herdenken, waardoor dat steeds dynamischer wordt. Dit komt onder meer omdat er steeds meer initiatief van onderop mogelijk is.

Voordat de experts aan het woord komen, geeft Riemer Knoop (lector Reinwardt Academie) context aan het onderwerp via een videoboodschap. Herdenken is volgens hem het nadrukkelijk stilstaan bij rampen die nog niet verwerkt zijn. Dit kan het herdenken van mensen zijn die dicht bij je staan tot mensen die verder weg staan, zo lang je je met hen verbonden voelt. De herdenkingsdrift neemt gek genoeg toe, waardoor herdenken van vroeger leed het gedenken van huidig leed weleens in de weg zou kunnen gaan zitten. In zijn verhaal haalt Knoop tevens de Vrede van Munster in 1648 aan. In Art. 1 hiervan staat dat het aangedane leed niet alleen vergeven maar ook vergeten moet worden. Dit is nodig om verder te kunnen.

Concluderend stelt Knoop dat herdenken relevant is, maar wel in proportie met de betreffende gebeurtenis als ook dynamisch moet zijn: hoe slagen we daar als samenleving in? 

1e en 2e generatie
Alumnus Tim Overduin pleit in zijn column voor herdenken zolang de eerste en tweede generatie oorlogsslachtoffers nog leven. Daarvoor geeft hij vier argumenten. Ten eerste kunnen de thema’s van herdenken actueel zijn: denk aan racisme en discriminatie. Ten tweede kan herdenken de kans op herhaling verminderen. Dan is er een belangrijk moreel punt: het geven van een stem aan gevallenen, van de Tweede Wereldoorlog bijvoorbeeld. Ten slotte zijn er nog steeds ooggetuigen in leven die willen dat we herdenken – wat wij enkel nog uit films kennen verdient het om van eerste hands-getuigen gehoord te worden.

Waarom herdenken we?
De bovenstaande vraag is gericht aan het publiek. Na een korte tijd om te overleggen klinken uit de zaal verschillende antwoorden. Voor de één herdenken we om van te leren. Voor de ander is het een moreel ijkpunt: iets waarop ons wereldbeeld gebaseerd wordt. Voor weer een ander heeft herdenken een collectieve verwerkingsfunctie.

Deze reacties gebruikt moderator Vegh om de vraag te stellen hoelang we de Tweede Wereldoorlog nog zouden moeten blijven herdenken. Een saillant antwoord is dat we dat moeten doen totdat er een grotere ramp heeft plaatsgevonden. Dat leidt tot luid geroezemoes in de zaal. De reactie “De Tweede Wereldoorlog heeft heel erg onze identiteit bepaald als maatschappij. Het is het ijkpunt in wie we zijn en hoe we functioneren.” staat tegenover de volgende reactie: “Er zijn ook gebeurtenissen die niet meer herdacht worden, terwijl deze wel veel impact hebben gehad. Denk aan de slag bij Waterloo of de Vrede van Munster.” Op beide klinken veel instemmende geluiden, waaruit blijkt dat de meningen over dit antwoord aardig uiteenlopen.

Geschiedenis is alomtegenwoordig
Cees Ribbens stelt dat de keuzes voor wat wij op bepaalde momenten herdenken heel dynamisch zijn. Dat hangt samen met de actualiteit. In Nederland heeft herdenken vooral betrekking op de Tweede Wereldoorlog. Ook volgens Ribbens lijkt de belangstelling voor herdenken steeds meer toe te nemen. Dit geldt vooral voor eigentijdse initiatieven. Als voorbeeld noemt hij ‘Theater naar de Dam’, Een bijzondere herdenking door middel van een toneelstuk, uitgevoerd op de Dam. Gezien de groei in belangstelling vindt hij het plakken van een einddatum op het WO2-herdenken zinloos.

Typisch voor herdenken is het collectieve, frequente en openbare karakter. Maar de belangstelling bij herdenken gaat vooral naar slachtoffers uit. Deze selectiviteit is onvermijdelijk maar ook jammer. Je zou het thema van het oorlogsherdenken kunnen verbreden en de focus verschuiven (andere betrokkenen, zoals militairen en daders, en andere tijden, zoals interbella). Daarmee zou je het historisch isolement van de Tweede Wereldoorlog kunnen verminderen. 

De selectiviteit van het WO2-herdenken versterkt een onevenwichtige omgang met de geschiedenis.
De stelling die het publiek wordt voorgelegd, gaat verder waar Ribbens geëindigd was. Uit een snelle inventarisatie blijkt dat de meesten het eens zijn met de stelling, een aantal tegen én een ruim aantal mensen eens noch oneens. Opmerkingen als: “Studenten begrijpen bijna niet hoe belangrijk de crisis in de jaren ’30 was.” en “de dekolonisatie staat niet op het netvlies.” bevestigen de stelling. Dibbits en Ribbens scharen zich onder de voorstanders van de stelling. Dibbits ziet een overkill aan heftige informatie waardoor we iets in stand houden. Dit maakt dat er geen plek is voor evenwichtiger toegang tot een ander tijdperk. Ribbens vindt dat WO2 aandacht en initiatieven naar zich toe zuigt, wat hoewel volkomen legitiem onderwerpen die dit ook verdienen overschaduwt. Maar iemand uit publiek stelt dat niet WO2 het probleem is, maar de neiging van de mensen om dingen te herdenken die hem/haar welgevallig zijn. Met betrekking tot WO2 kunnen wij, bewoners van Nederland, namelijk de slachtofferrol opeisen.

Herkenning en locatie
Vanuit haar werk bij het Joods Cultureel Kwartier is Anat Harel dagelijks bezig met herdenken, de Holocaust in het bijzonder. Zij merkt op dat lineaire verhalen steeds meer verhalen worden waarin de historische werkelijkheid van meerdere kanten wordt belicht. Ze worden veelal vanuit een persoon verteld, waardoor zo’n verhaal elementen van herkenning en verbondenheid biedt. Ook de locatie is volgens Harel een belangrijk aspect voor herkenning bij herdenking. Herkenning en locatie zouden dus voor meer betrokkenheid kunnen zorgen. Maar het je verdiepen in een persoonlijke levensgeschiedenis of een (Holocaustgebonden) locatie levert een mogelijkheid voor actie van het herdenken.

Harel vraagt zich af of een emotionele verbinding met trauma’s wel een voorwaarde voor blijvend herdenken is. Het verschil tussen herdenken en het verzamelen van kennis over het verleden ligt in aan- of afwezig zijn van emotie. Wanneer die gaat ontbreken, zal er eindigheid zitten in herdenken.

Migratieachtergrond
Laatste spreker is Norah Karrouche, die zich vanuit haar biculturele achtergrond afvraagt welke plek er bij nationale herdenkingen is voor mensen met een immigratieachtergrond. Ook binnen haar functie als onderzoekster en docent wereldgeschiedenis, antropologie en digital humanities aan de VU/UvA/EUR komt dit thema vaker naar voren. Karrouche merkt dat studenten met een immigratieachtergrond stelselmatig kiezen voor die eigen ‘tweede achtergrond’, waarmee ze een connectie maken op basis van eigen familieherinneringen die hun identiteit grotendeels vormen.

Later in haar verhaal geeft Karrouche een voorbeeld van een, door iemand met een immigratieverleden gestart, project in Antwerpen. In dit kleinschalige project werd met excursies en toneelstukken aandacht gevestigd op Marokkaanse soldaten die tijdens een WO2-veldslag sneuvelden. In eerste instantie was dit project gericht op allochtonen, maar later werden ook autochtonen betrokken. Dit initiatief en de latere ontwikkeling werden opgepikt door grotere organisaties. Uiteindelijk ging ook de Belgische politiek zich ermee bemoeien. Juist omdat dergelijke initiatieven een aan een gemarginaliseerde groep een manier biedt om hun identiteit en participatie in de samenleving op te eisen. Karrouche benadrukt dat dit soort betekenisvolle bottum-up initiatieven een belangrijke motor vormen voor het politieke instrument van herdenken, meer dan de geïnstitutionaliseerde herdenkingen.

Herdenken heeft een preventieve werking
‘Herdenken heeft een preventieve werking’, is een stelling waar slechts enkelen het mee eens zijn. Al snel blijkt dat dit komt omdat men een fundamenteel onderscheid maakt tussen herinneren en herdenken, als een informatieve respectievelijk emotionele daad. Vegh vraagt daarop aan Ribbens of de wetenschap onderscheid maakt tussen deze twee begrippen. Zijn antwoord: “Herinneren verpakt een veel breder areaal aan mogelijkheden. Beide kunnen niet alles volledig tonen en zijn altijd gekoppeld aan iets wat je in het heden wilt met geschiedenis. Daarbij is het anders dan geschiedschrijving, die objectief pretendeert te zijn.” Karrouche bekrachtigt dit met haar ervaringen in het doceren van geschiedenis. Er wordt namelijk onderwezen vanuit een ‘wit perspectief’.

Hester Dibbits wijst in haar afsluiting op het bijzondere van de avond. We moeten het één kunnen herdenken en tegelijkertijd het ander niet hoeven vergeten. Als voorbeeld wijst ze op de steeds meer bezochte herdenking van de Februaristaking. Er zijn kennelijk nieuwe, bezoekerstrekkende manieren gevonden om dit te herdenken. Met de diversiteit aan manieren van herdenken (klein en groot; nationaal, internationaal en transnationaal; online en offline) kunnen we heel hoopvol kijken naar de toekomst van herdenken.

Bekijk hier de videoregistratie:


Mediabestanden


0 reacties

Plaats een reactie