The Bangkokian #3

Het begin van de Birma Spoorweg ligt een paar uur rijden ten westen van Bangkok. Wat ik niet wist: Japan bereidde in 1942 een invasie van India voor, de geallieerden lagen in de straat van Malakka, dus de aanvoer moest over land via het “neutrale” Thailand naar noordelijk Birma. Maar wel door ondoordringbare bergen. Meer dan vierhonderd kilometer werd er in minder dan anderhalf jaar door een kwart miljoen krijgsgevangenen en koelies gebouwd. Uiteindelijk zou er een half miljoen ton militair materieel en voorraden over vervoerd worden

Dit is de Aziatische tegenhanger, althans in “onze” beeldvorming, van de Europese vernietigingskampen uit die tijd. En daar gingen we met onze Masterstudenten op een tweedaagse mini-van excursie heen, dit weekend, in het kader van WO2-erfgoed. Wat de tien studenten ervan afwisten was me niet bekend, maar de reacties waren best kritisch. Waar is de stem van de bijna honderdduizend Aziatische gevallenen? Naast de 60.000 westerse krijgsgevangenen, waarvan een derde niet terugkeerde, waren er ook tweehonderdduizend tewerkgestelden uit de regio zelf, verleid door de belofte van werk, inkomen en eten. Door de Japanse bezetting was de infrastructuur in Indochina vernietigd – voor miljoenen was er geen rijst meer. De helft van deze arbeiders, die vaak met hele gezinnen waren overgekomen, overleefde het niet. De krijgsgevangenen hadden hun medische zorg enigszins in stand weten te houden, voor de inlanders was er niets. Er zijn in Kanchanabrui drie Birma-spoor- wegmusea, met in alle drie ook nette Ne- derlandse teksten, kranten, en gedenk- platen. Het eerste is een nagebouwd bamboe onderkomen voor de tewerk- gestelde krijgsgevangenen pal op de Brug over de Kwai (de 1957 film is geheel op Sri Lanka geschoten). Een foto van een be- zoek van onze kroonprins in 1987 maakt het echt tot gedeeld erfgoed. Dan is er een museumpje (“verboden te fotograferen”) bij een erebegraafplaats met 3000 Austra- lische graven, met een raar, Australisch verhaal over de eigen voortreffelijkheid. Tot slotte het Hellfire Pass Memorial Museum: een Australisch-Thais bezoek- centrum als uitvalsbasis voor de resten van de spoorweg zelf, althans het tracé. Een aantal kilometer langs de loop van de Kwai, met nog hier en daar originele teakhouten bielzen. Een hel, met de hand in de rotsen uitgehakt. Vandaar: Hellfire. Als bezoeker kun je over de ruwe steenslag lopen, in de brandende zon. Het lukte mij een flinke kilometer of wat af te leggen, maar niemand volgde. Te heet, te eng, de hellingen te gevaarlijk. Heel Walter Benjamin, en bloedserieus: je lichaam beleeft als het ware, verwend en doorvoed als het is, hoe je het er strompelend en zwetend in een tropenuurtje vanaf brengt. Dat realiseerden we ons pas later. Een van de studenten zei: van lijden leer je meer Bielzen van Birma-spoorweg Hellfire Pass dan van geluk. Goed getroffen. Aanvullende discussie: wat moet je vergeven, wat mag je vergeten? En waar is het perspectief van de Japanners? Zo begrijpen we er niets van, maar ervaren we alleen leed en heldendom - whatever . We logeerden in een Nationaal Park van 1000 km2, iets meer aan de bovenloop van de Kwai. Tot mijn oneindige vreugde vond ik in een guest house een heuse mandibak. In de badkamer is een grote betegelde kuip bijna tot de rand vol met ijskoud water. Je gaat ernaast staan en schept met een emmer grote plenzen water over je. Dat is nog eens tempo doeloe. Om nog te zwijgen van het voortdurend door iedereen om het uur vrolijk en uitgehongerd aan tafel gaan. Wat een feest. va a a Brr, mandibak in kamer mandi


Mediabestanden


0 reacties

Plaats een reactie