Bangkokian #6

Een vakantie tijdens een “vakantie” (want dat denken ze als je zegt dat je een paar maanden in Bangkok werkt). We, de ingevlogen echtgenoot en ik, gingen naar Koh Tao, een mini-eilandje met anderhalf duizend bewoners in de Golf van Thailand, goed voor dichte jungle & veel snorkelplezier in de koraalriffen rondom. En ontmoeten daar De Chinees. Thailand staat met 26 miljoen buitenlandse bezoekers nr 10 op de wereldranglijst inkomend toerisme (Frankrijk met 85 miljoen is nog steeds nr 1, je vraagt je af waarom, zo prima is het daar nou ook weer niet). Pijlsnel groeiende toeleverancier van al dat vreemde volk naar Thailand is China, goed voor 5 miljoen. Tweede is Indochina: Vietnamezen en Indonesiërs gaan in Thailand op vakantie. Onzichtbaar. Maar de Chinees, die in eigen land wel 3,5 miljard keer als toerist geteld wordt en heel niet opvalt, gedraagt zich hier als een wezen van Mars. Eigen eten, discreet. Vooral geen mixage met Europese rugzaktoeristen. Gaat geheel gekleed te water in fel getint lycra, en loopt op speciale, gesloten watersandalen. En kan hoegenaamd niet zwemmen. Draagt dus een alarm-rood zwemvest over z’n rare bodysuit, en moet het daarbinnen knap heet hebben. Gecombineerd met bril en snorkel levert dat buitenaardse tafrelen op, althans voor de beschouwer. We hebben er besmuikt om gelachen.
Bloemenschilderij van HKH prinses Sirindhorn

Opmerkelijk voor een tropische vakantie vonden we het vraagstuk van de zonnecrème. De lelieblanke echtgenoot verdient een stevige factor, alleen is die hier niet te krijgen zonder whitening. Dat wil zeggen, aan de zonnebrandmiddelen wordt een soort bleekkracht toegevoegd om toch vooral niet op te kleuren, wat heet, zomaar een lichte bronzage te krijgen. Oei, Vitamine D bah zeg. Opeens keken we heel anders tegen de jeugdige gezichten op de alom aanwezige reclames aan. Allemaal lelieblank tot lammetjeswit. Oogleden bijgewerkt. Neuscorrecties. En in de supermarkten, pardon 7-Elevens: whitening stuff waar je maar kijkt. Is dit ook post-koloniaal?

Observerende participatie deed ik nog in twee musea hier op de campus. Nou ja, musea. De universiteit is vernoemd naar de vader van de huidige koning, prins Mahidol. Dat is een grote eer, en elke faculteit heeft wel een Hall of Fame waar de eigen voortreffelijkheid wordt gevierd in het verlengde van die van de koning, zijn ouders, vrouw of kinderen. 23 (!) peperdure toestanden, veel kristal en goud, op een bedje van chique gebroken wit, en in kathedralen van zalen. Geen spoor van relativering, laat staan kritiek. Waarom zouden ze ook, vorige week kregen een paar theatermakers nog 2,5 jaar gevangenisstraf voor een toneelstukje over een fictief koninkrijk dat kennelijk te oneerbiedig was. Lèse-majesté, mensen, het bestaat echt. Mijn begeleidster Patoo vertelde dat haar vorige groep masterstudenten best onder de indruk van de tentoonstelling waren. Kan ik me deels voorstellen: een mantra krijgt door herhaling iets sacraals. Op de tento hing een bloemenschilderij door HKH prinses Sirindhorn, met eronder de ter plekke gebruikte kwast, verf, palet en doekjes. Rechts uw lector met Patoo (l) en de directeur van de Mahidol University Hall of Fame annex de Prince Father’s Biography hall.

Een laatste mijmering, vooruit. In het brakke Engels dat men hier wel spreekt klinkt Ancient times al snel als Asian times. Ik ben zeker niet de eerste die dat constateert – Bruce Chatwin hoorde dat al, meen ik. Maar ik ben als cultuurmensch wel in de positie om er iets van te vinden. Er heerst hier een curieus gebrek aan, of vrijheid van, historisch ontwikkelingsgevoel. Geen scherp beeld waar men vandaan komt, of waar men heen moet of wil. De dingen zijn wat ze zijn. “Vroeger” is een onveranderlijk blok beton. Heel Asian. En onthecht. Korp khun krap, Bangkok, dank je wel. Dinsdag weer thuis.


Mediabestanden


0 reacties

Plaats een reactie