"Natuurlijk wordt de Plantagebuurt geen tweede Damrak"

Websitebanner Plantage Amsterdam

De Plantagebuurt is misschien wel de mooiste buurt van Amsterdam. Vanuit de breed opgezette Plantage Middenlaan verdwijnen tal van lanen en straatjes in de oase van groen en rust die de Plantagebuurt biedt. Je kunt er ontsnappen aan de drukte in het centrum van de stad, weer vrijuit ademen en tegelijkertijd cultuur snuiven en heerlijk dineren zonder omringd te worden door hordes toeristen. Het kan echt. Die toeristen zijn er overigens heus wel, in 2013 nog zo’n 4,5 miljoen – en met tientallen cafés en culturele instellingen is dat ook niet gek. Toch is er een balans, die in het overige deel van stadsdeel Centrum niet of nauwelijks is te vinden: de Plantagebuurt leeft en tegelijkertijd kun je er voor de nodige portie rust komen. Blijkbaar is die combinatie niet alleen aantrekkelijk voor Amsterdammers, want ook steeds meer toeristen weten de buurt te vinden. Dat er sprake is van een stijging is mede te danken aan de inzet van de Plantage Amsterdam: een samenwerkingsverband tussen zeventien culturele instellingen uit de gelijknamige buurt. Hester Schölvinck, projectleider van de Plantage Amsterdam, vertelt over het succes van het samenwerkingsverband (dat ook Amsterdam Marketing inspireert) en doet een boekje open over haar ambities binnen de organisatie.

Een landelijke voorbeeldfunctie
Schölvinck is sinds acht jaar betrokken bij de Plantage Amsterdam, dat in 2001 is opgericht. “Dus eigenlijk weet ik niet meer over het ontstaan dan mij in die tijd is verteld. Maar als ik het mij goed herinner, begon het als initiatief van onder andere het Scheepvaartmuseum, Nemo en Artis. Zij zagen dat de oostelijke binnenstad onderbelicht was en wilden met dit initiatief de buurt beter op de kaart zetten. Dat is nu nog steeds de basis, al heb ik het vertaald naar een soort city marketing: niet alleen als instelling kun je meer naar buiten treden, maar ook als groep instellingen kun je middels een gemeenschappelijke factor jezelf én elkaar in de spotlights zetten. Voorwaarde voor zo’n samenwerking is wel dat je over je eigen schaduw heen durft te kijken. In het begin waren de reacties verdeeld en was het contact soms moeilijk, maar inmiddels zijn er concrete resultaten geboekt en dat maakt de samenwerking steeds makkelijker”, legt ze uitgebreid uit.

Welke resultaten dan zijn behaald? “Natuurlijk zien we hogere bezoekersaantallen, maar dat is zeker niet geheel te wijden aan de Plantage Amsterdam,” zegt Schölvinck. “Iedere instelling apart doet namelijk ook gewoon haar eigen werk. Daarbij heeft het Scheepvaartmuseum een heropening gehad en zijn de Hermitage, Micropia en de Juniormusea van het Verzetsmuseum en het Joods-Historisch geopend. Concrete resultaten zien we met name terug in reisgidsen: waar eerst hooguit een alinea aan de Plantagebuurt werd gewijd in bijvoorbeeld de Lonely Planet, is de Plantagebuurt nu een heel hoofdstuk waardig. Een ander resultaat is te danken aan de samenwerking met Amsterdam Create, die de stadsplattegronden verzorgt: de plattegrond van Amsterdam was altijd naar het zuiden geörienteerd, maar er heeft inmiddels een kanteling naar het oosten plaatsgevonden,” verklaart ze. “Daarbij hebben we onze eigen buurtplattegrond ontwikkeld, zowel op papier als op borden verspreid door de buurt – en daar wordt dankbaar gebruik van gemaakt. We kunnen op die manier concluderen dat onze algehele zichtbaarheid gewoon beter wordt,” voegt ze eraan toe.

De Plantage Amsterdam lijkt dus een verdomd goed-werkend marketinginstrument te zijn. Maar ook op andere gebieden bundelen de instellingen hun kracht (en geld), bijvoorbeeld door te investeren in duurzaam ondernemen. “In 2011 heeft de Plantage Amsterdam met Stadsdeel Centrum een convenant gesloten om duurzaam ondernemen te stimuleren en de klimaatdoelstellingen van de gemeente te behalen. En dat is een groot succes. Er is onder andere uitgevloeid dat we samen energie inkopen: Energie voor Cultuur, in samenwerking met Hellemans,” vertelt Schölvinck. Met deze gezamenlijke inkoop worden zowel de CO2-uitstoot als de kosten structureel verminderd: na drie jaar wordt er 13% minder elektriciteit, 14% minder gas en 44% minder CO2 geproduceerd. Dat bespaart toch maar € 300.000,- . En dat met 7% meer bezoekers. Door de jaren heen zijn meer culturele instellingen zich gaan aansluiten, ook buiten de Plantage Amsterdam. Want Energie voor Cultuur is er voor iedere culturele instelling.

Jaloezie, enthousiasme en nervositeit
De Plantage Amsterdam lijkt de wind in de zeilen te hebben, zo soepel als de samenwerking inmiddels verloopt en de na te streven doelen ook worden behaald. Hoe wordt dat door anderen gezien? Schölvinck: “Musea zijn vaak jaloers op ons samenwerkingsverband. Nu we sinds twee jaar als één op de Uitmarkt staan, krijg je reacties als: ‘goh, ja, dat werkt dus!’. Waar sommige musea in het begin ook nog sceptisch waren over de opgestelde doelen en dus over eventuele aansluiting, kunnen we twijfel nu met de eerdergenoemde concrete resultaten weerleggen. De Gemeente Amsterdam en Stadsdeel Centrum staan er heel anders in: zij juichen het heel erg toe en steunen ons ook met subsidie. Die subsidie krijgen we omdat we aan hun doelen tegemoet komen, zoals duurzaam ondernemen en het bevorderen van spreiding in de stad.” Dit laatste doet denken aan een actuele discussie over de toekomst van de Plantagebuurt: men is bang dat de buurt een nieuw centrum wordt. “De Plantagebuurt een nieuw centrum? Welnee. Ik denk dat het misgaat in de berichtgeving. Natuurlijk wordt de Plantagebuurt geen tweede Damrak, maar wel hebben de instellingen hier bezoekers nodig en willen we iedereen laten kennis maken met de wortels van de Plantagebuurt: het groene, de openheid, de geschiedenis. Nu is het geval dat er een miljoen meer bezoekers komen dan een jaar geleden, maar het is nog steeds een rustige buurt. Er zijn geen rijen of opstoppingen zoals je ze in het centrum ziet. Ook zijn er geen winkels (hoewel bij de gemeente al jaren sprake is van het idee om winkels in de Weesperstraat te huisvesten; op die manier zou er voor ons een betere verbinding zijn tussen het westelijke en oostelijke deel van de Plantagebuurt. Nu is het namelijk een groot pijnpunt). Wel zijn er de openbare, ietwat verstopte, maar zeer welkome tuinen van Artis en de Hermitage en wijdse straten die de bezoekers verhullen; een plein zoals het Museumplein moet je niet willen,” is de mening van Schölvinck. “Het gaat gewoon echt mis in de berichtgeving,” herhaalt ze.

Toekomstmuziek
“De musea werken hard om hun collecties te behouden, tentoonstellingen te maken en bezoekers te trekken. Daar hoort een goede bewegwijzering bij,” vervolgt Schölvinck. Ze doelt hiermee niet enkel op borden op straat, maar ook op online marketing – en over beide facetten heeft ze zo haar eigen dromen: “Er is gekozen voor een bescheiden zwart met gouden bewegwijzering, hoog op een eveneens zwarte paal, maar daar kijk je makkelijk overheen. Ik zou iets duidelijkers en mooiers willen ontwikkelen. Iets wat meer in het oog springt ook. Natuurlijk hebben we die mooie plattegronden in de Plantagebuurt, maar die zou je eigenlijk door heel de stad moeten zien. Ieder stadsdeel zijn eigen plattegrond in een eigen kleur met een overzichtelijke weergave van de culturele instellingen. Ook de online marketing kan beter. Wanneer toeristen hun bezoek vooraf voorbereiden en de website van I Amsterdam bekijken, zien ze vooral de geijkte bezienswaardigheden. En je verdwaalt. En met een beetje geluk kom je terecht bij de activiteiten in de Plantagebuurt. Het lijkt mij mooi als een stad als Amsterdam zich anders presenteert: niet alleen de ijkpunten, maar ook de kleinere dingen. Het is nu wat eenzijdig. Als je het spreidingsbeleid serieus wilt nemen, moet je het, om te beginnen, daar ook toepassen. Verder lobby ik graag voor meer inzichtelijkheid van de buurten, te beginnen met een inzichtelijke verdeling van de stad. Hierover praat ik ook regelmatig met Amsterdam Marketing; het zou mooi zijn als ze een voorbeeld nemen aan de Plantage Amsterdam, maar hun benadering van de toerist is, volkomen begrijpelijk, gewoon anders. Zij stellen het Museumplein centraal, omdat daar de meeste potentie zit: ze halen de toeristen eerst binnen en pas dan wordt geprobeerd ze over de stad te verspreiden. Amsterdam Marketing heeft ook daadwerkelijk de opdracht van de gemeente om andere buurten dan die van het Museumplein te belichten en dat doen ze goed, vanuit hun filosofie gezien. Toch raakt het centrum (over)vol, dus er moet gewoon anders mee worden omgegaan. Net zoals ook wij onze ijkpunten gebruiken om bezoekers te trekken, maar tegelijkertijd een evenwichtige marketing voeren voor heel de Plantagebuurt. Het is alleen een heel langzaam proces om dit op stadsniveau te laten veranderen.”

Dit proces mag dan langzaam gaan, het is wel iets waar Schölvinck graag haar geduld voor opbrengt. Ze doet haar werk met bevlogenheid en heeft het project helemaal in de vingers. “Als projectleider jaag ik alles aan. Ik maak plannen, leg ze vervolgens voor bij het bestuur en zorg er daarna ook voor dat ze uitgevoerd worden. Dat gaat van het opzetten van werkgroepen tot het organiseren van (openlucht)tentoonstellingen; van het laten verzorgen van de website tot het onderhouden van het contact met de partners.” Al acht jaar. Geduld loont, klaarblijkelijk. De gezamenlijke stand op de Uitmarkt is een succes, er zijn hogere bezoekersaantallen en eind van de maand wordt de nieuwe website gelanceerd, om maar eens een paar voorbeelden te noemen. Daarbij wordt de Plantage Amsterdam gezien als hét voorbeeld voor hoe culturele instellingen kunnen samenwerken. Klaar is Schölvinck echter nog lang niet. Nog steeds streeft ze naar een betere zichtbaarheid van de Plantagebuurt voor toeristen en een beter plekje in het hart van Amsterdammers. “We zijn goed op weg. Maar wat zou ik het mooi vinden als elke buurt dit zo heeft.”

Meer info: http://deplantageamsterdam.nl


Mediabestanden


0 reacties

Plaats een reactie