It's all in the name

Een presentatie zoals je verwacht te zien; het Nederlands Fotomuseum door Fidan Ekiz

Het was lange tijd groot in het nieuws en het is nog steeds een hot item: het DWDD pop-up museum dat sinds januari in het Allard Pierson Museum zit. Een cadeautje van en voor de redactie van De Wereld Draait Door, ter ere van het tien-jarig bestaan van het programma. Het idee ontstond nadat Jasper Krabbé in een uitzending vertelde over 'zijn' tentoonstelling Soulmade in het Tropenmuseum - en vanaf dat moment ging het balletje rollen. Snel ook, want het pop-up museum moest in drie maanden worden gerealiseerd. Op 29 januari was de opening en twee dagen later ging ik er een kijkje nemen. Om het maar meteen te zeggen: mijn mening is verdeeld. Ja, het is een ontzettend goed en leuk initiatief, maar ik heb ook enkele vraagtekens en kanttekeningen.

BN’ers of kunst in de hoofdrol?
Met het thema ‘Verborgen Kunstenaars’ wilde De Wereld Draait Door in eerste instantie vergeten meesters en topstukken uit het depot halen en weer als schatten presenteren. Om aan het publiek te laten zien wat er allemaal voor moois ligt opgeborgen in de depots van onze musea. Een idee dat ik alleen maar stimuleer (en waarmee ikzelf in de toekomst ook graag aan de slag wil). Het Allard Pierson Museum stelde tien zalen beschikbaar die naar het idee en de smaak van de gastconservatoren mocht worden ingericht. Het ziet er aardig uit: na een ietwat rommelige entree wordt je via een plechtige, lange, marmeren gang naar de tentoonstelling geleid. Daar wandel je van de ene naar de andere zaal, en elke keer is het een verrassing wat je aan zult treffen. Uitbundigheid (Jan Mulder met ‘zijn’ Groninger Museum) en eenvoud (het Rijksmuseum van Pieter van Vollenhoven) wisselen elkaar af, maar alle zalen zijn rijk aan schatten. Sommigen te rijk misschien, maar ik zou ook moeilijk kunnen kiezen.

Toch heb ik mijn kanttekeningen bij de uitvoering. De tien vaste gasten van het programma die gastconservator mogen zijn, lijken namelijk de show te stelen. Het winkeltje van het Allard Pierson Museum ligt vol met boeken en snuisterijen op hun naam en in die indrukwekkende gang die naar de tentoonstelling leidt, hangen grote banieren met hun portretten. Eenmaal in de tentoonstelling viel mij op dat de gastconservatoren ook consequent op de voorgrond zijn; de musea worden ‘slechts’ vertegenwoordigd door de uitgeleende kunstwerken. Daarbij schuiven de gastconservatoren soms ongegeneerd hun mening naar voren, zoals Nico Dijkshoorn, die zijn uitgekozen kunstwerken vergezelt van een allesbehalve intellectuele persoonlijke herinnering. Zijn fans zullen dat absoluut waarderen, maar naar mijn mening haalt het de allure van de werken omlaag of zelfs onderuit. Jasper Krabbé doet er nog een schepje bovenop: hij heeft kunstwerken uit de jaren ‘80 uitgekozen die hem inspireerden voor het maken van een eigen schilderij, dat er dan ook prominent tussen hangt om het plaatje compleet te maken.

Natuurlijk is er niks mis met een persoonlijk tintje, maar bovenstaande voorbeelden lijken het doel voorbij te gaan om de kunst in zijn volle vergane glorie te laten zien. En dat vind ik jammer. De presentatie van Cécile Narinx daarentegen brengt een ode aan een vergeten hoofdstuk uit de modegeschiedenis: ontwerperscollectief GILL krijgt alle aandacht. Ook Jan Mulder brengt een ode, maar dan aan de directeur van het Groninger Museum, met typerende door hem aangekochte werken uit de jaren ’80. Ook zien we een door Fidan Ekiz samengestelde presentatie van fotografisch erfgoed van het Nederlands Fotomuseum. En Herman Pleij en Pieter van Vollenhoven laten respectievelijk het Catherijne Convent en het Rijksmuseum in haar eenvoud zien: middeleeuwse beelden en oude boeken en prenten zijn eervol opgesteld. Het kan dus wel. En de bezoekers vinden het allemaal even geweldig: er wordt gelachen en gepraat en in het gastenboek staan mooie complimenten geschreven. Wat De Wereld Draait Door en een tiental BN’ers wel niet kunnen veroorzaken in museumland.

Het mediaspel
De Wereld Draait Door heeft het lijstje Nederlandse musea af gebeld en naar verluid heeft geen enkel museum ‘nee’ gezegd. Ook hadden de gastconservatoren ruime of zelfs alle keus in het depot. Hoe het ze is gelukt? Ik gok dat iedereen net dat ene extra zetje én de media-aandacht nodig heeft om dit soort projecten te ontwikkelen. Musea willen simpelweg meer bezoekers trekken, maar de bezoeker wordt steeds kritischer en wordt tegelijkertijd overrompeld met het groeiende aanbod van cultuur. Sommige musea concentreren zich op hun eigen ‘merk’, anderen halen alles uit de kast en schakelen publiekstrekkers in. Wat De Wereld Draait Door doet, is dan ook niet nieuw; het eerdergenoemde Soulmade in het Tropenmuseum is op die manier ontstaan en ook het Stedelijk Museum Amsterdam werkt op regelmatige basis samen met een BN’er. Ook duiken musea steeds vaker het eigen of een ander depot in, waardoor bijvoorbeeld de tentoonstelling Hollanders van de Gouden Eeuw in de Hermitage tot stand kwam, in samenwerking met het Amsterdam Museum en het Rijks. Kleinere initiatieven zijn er ook: Museumstraat presenteert depotstukken bij mensen thuis en is in zowel Amsterdam als Rotterdam een succes. Het kan zelfs rigoreuzer: Boijmans van Beuningen wil een gedeelte van het depot toegankelijk maken voor publiek – een geweldig idee overigens.

Terug naar dat zetje. Dit soort projecten kost tijd en geld, maar moet wel rendabel blijven en zijn vruchten afwerpen. De inzet van populaire media of BN’ers helpt daarbij. En ja, als je dan wordt gebeld door de redactie van De Wereld Draait Door... Ik had ook geen ‘nee’ gezegd op de media-aandacht die het belooft en wat dus vervolgens een grotere bekendheid en meer bezoekers betekent. Maar het is ergens wel jammer dat het op deze manier moet gebeuren.

Ik ben namelijk van mening dat de BN’ers niet nodig waren. Het is een leuke stunt, maar niet meer dan dat. De Wereld Draait Door had het ook zonder ze afgekund. En de musea hadden dit ook zonder De Wereld Draait Door kunnen realiseren, durf ik te stellen. Met een goed project kun je gerust hetzelfde resultaat bereiken. De Museumnacht trekt bijvoorbeeld een derde van de in totaal verwachte bezoekers voor het pop-up museum op slechts één avond, zónder BN’ers. Exclusiviteit is het sleutelwoord. Voeg dat samen met verborgen meesters, spanning en een op elke doelgroep toegepaste campagne en je hebt een evenement wat niemand wilt missen (dat is mijn doel, tenminste).

Meer kwaliteit, alsjeblieft
Ook laat het DWDD pop-up museum op het gebied van kwaliteit heel wat steken vallen. Ik zei eerder al dat een verwijzing naar de moedermusea in de tentoonstelling ver te zoeken is, maar ook in de media is er nauwelijks tot geen aandacht voor de tien musea. Het is duidelijk wie de show steelt. Als Reinwardter onthutst mij het uitblijven van zo’n belangrijk element met betrekking tot publieksbereik. Want gaat het daar niet ook een beetje om?
Daarnaast waren de zaalteksten tekstueel niet altijd even professioneel en ook qua vormgeving niet altijd even tactisch geplaatst; over de tekstbordjes van Nico Dijkshoorn mogen de meningen verschillen, maar de zaaltekst bij Cécile Narinx is onleesbaar geworden door het tiental poppen dat er pal voor was geplaatst (zie foto onderaan). En Jan Mulders zaal was simpelweg te klein; hoe mooi de werken ook zijn, als ze op elkaar gestapeld worden, komen ze nauwelijks tot hun recht.

En dat terwijl de realisatie van het pop-up museum is gefinancierd door onder andere het Mondriaanfonds. Nota bene onder de noemer ‘bijdrage samenwerking musea’: een regeling die bedoeld is als bijdrage voor gezamenlijke initiatieven die het gangbare overstijgen of een voorbeeld stellen om uiteindelijk te leiden tot een sterkere museale sector. Dit sluit aan bij de Museumbrief van Jet Bussemaker, waarin ze een oproep doet aan musea om meer samenwerkingen met elkaar aan te gaan. Zij noemt dit dan ook een ‘geweldig voorbeeld’ van museale samenwerking. En ik? Tja, het is een voorbeeld, maar die samenwerking mag wel meer tot uiting komen.

Ik ben van mening dat de DWDD de touwtjes te strak in handen had en de drie maanden te kort waren om de presentaties een realistische afspiegeling van het moedermuseum te laten zijn. Nog los van de marketing die is gevoerd en hoe de media ermee om zijn gegaan. De aantrekkingskracht ligt overduidelijk in de BN’ers en in De Wereld Draait Door, dat is althans hoe ik het – jammer genoeg – heb ontvangen. Ik streef dus naar een betere versie. En ik ben erg benieuwd wie van de 80.000 bezoekers die worden verwacht, een herhaalbezoek brengt aan het moedermuseum.

De tentoonstelling is nog te bezoeken tot en met 25 mei. Meer info is te vinden op de website van het Allard Pierson Museum: http://allardpiersonmuseum.nl


Mediabestanden


0 reacties

Plaats een reactie