Passie en nieuwsgierigheid, in gesprek met Annemarie de Wildt

Annemarie op bezoek bij Ajax

Annemarie de Wildt is conservator bij het Amsterdam Museum in Amsterdam. Deze functie bekleedt zij nu ruim twintig jaar. Zij heeft hier dus al veel meegemaakt en weet alles van het reilen en zeilen binnen het museum. Bij het Amsterdam Museum kwam zij terecht via vrijwilligerswerk, vlak na haar studie geschiedenis aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Na een tijdje als freelancer te hebben gewerkt, heeft zij uiteindelijk een vaste aanstelling gekregen bij het Amsterdamse stadsmuseum. Op een regenachtige namiddag sprak ik met haar af om te praten over haar inspiraties, haar tentoonstellingen en haar favorieten. 

Hoe bent u bij het Amsterdam Museum terecht gekomen? 

Via via, toen ik nog studeerde heb ik een keer vrijwillig een kleine tentoonstelling gedaan met wat medestudenten. Na vrijwillige medewerking aan een kleine tentoonstelling in Purmerend, maakte ik mijn eerste tentoonstelling in opdracht voor het Amsterdamse 4 en 5 mei  comité. Zo leerde ik mensen van het Amsterdam Museum kennen. Ik heb toen een aantal jaar freelance gewerkt voor verschillende instellingen, ik heb onder andere een paar tentoonstellingen gedaan bij het Verzetsmuseum en ik heb bij de televisie gewerkt. Dit deed ik voor ongeveer vijftien jaar. Toen kwam hier een vaste positie vrij en hebben ze mij gevraagd. Soms denk ik wel, ik moet wat anders gaan doen. Ik vind alleen echt nooit iets dat ik net zo leuk vind als dit. Dit werk blijft, ondanks dat je wel steeds dezelfde stappen doorzet, veelzijdig en wisselend omdat je steeds met een ander onderwerp en andere mensen werkt, dat maakt het absoluut leuk. 

U bent al ruim twintig jaar werkzaam bij het Amsterdam Museum. Hoe heeft u het museum zien veranderen?

Het museum is meer naar het nu verschoven. Toen ik hier kwam eindige de vaste opstelling ergens in de Tweede Wereldoorlog. In tijdelijke tentoonstellingen werd wel meer gedaan aan eigentijdse geschiedenis, maar in de vaste opstelling niet. Dat is tegenwoordig veranderd. Er is meer aandacht gekomen voor persoonlijke geschiedenissen, hier heb ik zelf ook een grote rol in vervuld. Het persoonlijke verhaal achter objecten wordt nu veel meer belicht en verteld. Dat is nu heel erg gebruikelijk overal, maar wij waren een van de eersten die dat zijn gaan doen op deze manier. Voor de rest is er natuurlijk ontzettend veel veranderd op het gebied van digitalisering. Dat heeft op allerlei manieren invloed op je werk. Wij zijn onderdeel van een participative turn in museumland en onderdeel van deze beweging. Ik denk zeker in Nederland dat we samen met Museum Rotterdam ook wel een voorloper zijn op dat gebied. De koppeling met het hedendaagse is tegenwoordig steeds sterker. Daarom is de naam een aantal jaar terug ook veranderd van Amsterdam Historisch Museum naar Amsterdam Museum. Het gaat niet meer alleen om de historie. 

Hoe raakt u na al deze tijd bij het Amsterdam Museum nog steeds geïnspireerd? 

Door telkens iets nieuws te doen, door telkens nieuwe onderwerpen te onderzoeken en tonen. Soms zoek ik die zelf op, maar soms komt het op mijn pad of wordt het aangedragen van buiten. Bij bijvoorbeeld de tentoonstelling over voetbal (Voetbal Halleluja!) kwam de directeur van het museum met het idee. Mijn eerste reactie was: ik weet helemaal niks van voetbal. De directeur van het stadsmuseum in Basel vroeg of ik asjeblieft de conservator wilde zijn en ik dacht, als zij dat vraagt, is dat toch een teken van waardering. Als je er dan eenmaal mee bezig bent, is het zo spannend om in een nieuwe wereld te duiken. Je raakt natuurlijk enthousiast door je ergens in te verdiepen en door er ook echt heen te gaan. Je moet vooral niet achter je bureau blijven zitten, maar de stad in gaan. Zoals bijvoorbeeld in het geval van voetbal, ga naar de Arena, ga in alle verschillende vakken zitten. Bij de huidige tentoonstelling over graffiti zijn we met de graffiti artiesten gaan praten om hun werk te selecteren en om over het maken ervan te horen. 

Ik heb net inderdaad de tentoonstelling Graffiti. New York meets The Dam bezocht. Het is best een controversieel onderwerp. Wat ik in de tentoonstelling zag, is dat het museum zelf niet zegt wat ze ervan vinden. Er wordt getoond wat er gebeurt, maar geen mening gegeven.

Dat is zo en dat is ook een hele bewuste keus. Ik vind dat je als museum geen mening moet uitdragen. Waarom zou je een moreel oordeel geven, zowel positief als negatief. Juist daarom kan je zulke onderwerpen behandelen, door te zeggen: kijk maar, dit gebeurt in de stad. Het is onderdeel van de stadscultuur, en wij tonen het. Wat niet wegneemt, dat het altijd leuk is als mensen naar aanleiding van een tentoonstelling zichzelf dingen gaan afvragen of opmerkingen maken. Het is altijd leuk als een tentoonstelling meewerkt aan de gedachtevorming die mensen zelf over zo een onderwerp hebben, maar als museum moet je dat uiteraard niet opleggen. 

Amsterdam DNA, de permanente opstelling, is een voorbeeld voor andere stadsmusea in Nederland, het wordt veelvuldig gebruikt als inspiratie en voorbeeld. Hebben jullie Amsterdam DNA ergens op geïnspireerd?

Nee, wij hebben wel rondgekeken bij bijvoorbeeld het Museum of Londen, of het Museum of Liverpool, maar echt het idee om dat DNA als concept te gebruiken is volgens mij origineel van ons. Je ziet inderdaad dat dat enorm aanslaat. Natuurlijk haal je altijd inspiratie ergens anders vandaan, zoals van Russell Shorto, die stelt dat bijvoorbeeld liberalisme en een gevoel voor de gemeenschap behoren tot het DNA van Amsterdam. 

Hoe bezoekt u zelf een tentoonstelling, u zit namelijk al zo lang in het vak, en ik merk na een aantal jaar Reinwardt Academie al dat ik de kritische blik nauwelijks kan laten varen?

Er zijn verschillende manieren om een tentoonstelling te bekijken. Er is de professionele knop en die staat bijna altijd aan. Daarnaast is er de knop ik ga nu van deze tentoonstelling genieten. Het zijn twee verschillende knoppen. De meeste mensen hebben het na het bezoeken van twee tentoonstellingen wel gehad, maar ik kan gerust zeven tentoonstellingen op een dag bezoeken en zien, maar dat is dan wel met de professionele knop. Ik ga dan niet meer naar elk schilderij of werk kijken, maar ik ga er dan snel doorheen. In Parijs neem ik een velib (huurfiets) en dan ga ik zeven tentoonstellingen zien op een dag. Zo nu en dan zie ik iets en dan denk ik, ik doe even mijn professionele knop uit en ik ga gewoon rustig naar dit werk kijken. Met de professionele knop kijk ik toch naar hoe het in elkaar zit, hoe is het gestructureerd, hoe schrijven ze de teksten? Dat gaat eigenlijk nooit weg. Het meta-niveau van de tentoonstelling. 

Gaat u bij het maken van een tentoonstelling te werk volgens een vast stappenplan zoals wij dat op school leren (voorlopig ontwerp, schetsontwerp)? 

Ja, daar loop je allemaal doorheen. Dat zijn inderdaad de stappen, de ruimte structureren met een vlekkenplan, een voorlopig ontwerp. Ik zie het altijd als een tweesporenbeleid, je hebt aan de ene kant het verhaal dat je wilt vertellen en aan de andere kant de objecten waar je dat mee wil doen. Die moeten gelijk oplopen, in elke fase van het project verfijn je deze en ga je steeds een stapje verder in de detaillering en de uitwerking. Dat kan uiteindelijk gaan over hoe hoog het schilderij hangt, wat er staat op het tekstbordje. Deze stappen zijn tegenwoordig ook een soort automatisme geworden. Ik weet wanneer ik bij het maken van een tentoonstelling toch echt de teksten moet gaan schrijven. Daarnaast wil je altijd langer doorgaan met onderzoek doen. Er zijn altijd genoeg dingen die ik nog moet uitzoeken, maar er is eigenlijk nooit genoeg tijd. Je moet ook altijd meer lezen en meer weten dan wat er in de tentoonstelling staat. Je moet een beetje er boven kunnen zweven. 

Ik had gelezen op internet dat uw favoriete museumobject café ‘t Mandje (een gemusealiseerd café op de Zeedijk) is. Wat maakt dit object voor u speciaal? 

Het is een bijzonder object, of liever een verzameling objecten. Het is speciaal omdat het een raar ding is, iets wat uit het echte leven is gehaald. Daarnaast was het hele proces eromheen heel interessant. In 1999 zijn we up-to-date gekomen met het verhaal van Amsterdam. In de vaste opstelling wilden we toen tot het jaar 2000 komen, voordat het jaar 2000 ook echt begon. We hebben toen eerst een tijdelijke tentoonstelling gemaakt over de laatste eeuw. Hierbij 

kwam op een gegeven moment het idee op om iets met café t Mandje te doen. We misten namelijk nog een paar dingen, zoals het caféleven in Amsterdam en iets rond de homobeweging. Dat kwam heel mooi bij elkaar in dat café, dat op dat moment al een tijdje gesloten was. Ik ben een aantal keer naar Greet van Beeren (de toenmalige eigenaresse van het gesloten café) geweest en ik heb gepraat als brugman over ons idee om het café toe te voegen aan de presentatie in het museum. Haar eerste reactie was: Nee schat, daar heb ik helemaal geen zin in, maar uiteindelijk is het wel gelukt én was het een ontzettend succes. Op grond van de positieve bezoekersreacties besloten we dat het ook in de vaste opstelling moest. Later is het echte café ook weer opengegaan. Ik vind die wisselwerking ook interessant. We hebben ook gevolgd hoe zij met het café-interieur omgaan. Op een gegeven moment zat ik in de canoncommissie over de Amsterdamse geschiedenis, toen is het café zelfs nog een van de vensters in de canon geworden. Ik vind het dus een heel grappig voorbeeld hoe dat allemaal kan en hoe je omgaat met zo een plek in het museum. 

Wat is volgens u de gouden tip voor mijn medestudenten? 

Passie. Passie en nieuwsgierigheid. Dat brengt je verder. En niet bang zijn. Niet bang zijn om moeilijke dingen te vragen, of ergens op af te stappen. 

Na ons gesprek vond de opening plaats van Transmission, in de schuttersgalerij van het Amsterdam Museum. Hierdoor kon ons gesprek helaas niet langer duren, maar ik mocht wel mee naar deze opening. Het was een inspirerend evenement, waarin de verhalen van transgenders zelf en hun families centraal staan. 


Mediabestanden


0 reacties

Plaats een reactie