Van Reinwardt naar explosieven in de grond

Jeroen Niels is in 2009 aan de Reinwardt Academie afgestudeerd. Ik ken hem van zijn werkzaamheden bij STIWOT (Stichting Informatie Wereldoorlog Twee). Jeroen heeft zich tijdens zijn loopbaan op verschillende vlakken geprofileerd, wat hem een bijzonder interessant persoon maakt. Zo is hij een carrière begonnen als onderzoeker naar niet-gesprongen explosieven in de Nederlandse bodem. Ook heeft hij twee boeken op zijn naam staan. We spraken af bij de Starbucks op Schiphol waar ik hem een aantal vragen stelde over zijn verleden, carrière en toekomst.

Battlefield tour (Creative Commons Attribution-Share Alike)

Kun je mij vertellen waar jouw interesse voor militaire geschiedenis vandaan komt?

‘Ik kom uit Arnhem. Daar staan we veel stil bij wat er gebeurd is tijdens de Tweede Wereldoorlog, voornamelijk tijdens de septemberdagen van 1944. Door de oorlogsverhalen van mijn opa heb ik in zekere mate een persoonlijke belangstelling voor die oorlog ontwikkeld. Hij werd in Duitsland tewerk gesteld en keerde na de bevrijding in een volledig verwoeste omgeving terug. Als kind luisterde ik graag naar die verhalen. Later heb ik een aantal boeken van hem gekregen. Daarnaast kom je gelijkgestemden tegen en dat maakt het natuurlijk ook allemaal erg leuk. Zo ben in 2004 bij het Airborne Museum in Oosterbeek terechtgekomen via de mensen die ik leerde kennen. Ik werkte daar eerst enkele dagen in de week en toen ik met de studie Cultureel Erfgoed begon, heb ik mijn werkdagen naar het weekend verschoven. Ook ben ik sinds 2004 actief bij STIWOT (Stichting Informatie Wereldoorlog Twee) als gids voor zogenaamde ‘Battlefield Tours’. Een samenwerking tussen de Museumvereniging en de Reinwardt Academie bood een cursus rondleiden aan en bijna iedereen in mijn jaargang, inclusief mezelf, hebben dat certificaat behaald. Het voordeel hiervan was dat ik bepaalde technieken heb geleerd die later van pas kwamen. Zo probeer ik het publiek te betrekken in het verhaal wat ik dan vertel tijdens zo’n rondleiding. ‘Als gids gaat het er niet om dat jezelf alleen maar aan het woord bent, maar ook je publiek in je verhaal betrekt.’

Als ik aan militaire geschiedenis denk, denk ik niet meteen aan de Reinwardt Academie. Waarom heb je toch voor deze opleiding gekozen?

‘Ik had het zo leuk bij het Airborne Museum dat ik begon te denken aan een studie die mij verder in het museumwezen zou brengen. Ik heb toen een afspraak met de directeur gemaakt en die adviseerde mij om de Reinwardt Academie te doen. Ik had tot dat moment nog nooit van die school gehoord, maar het leek me na het bijwonen van een open dag wel een geschikte opleiding. Dat ik uiteindelijk toch in een andere sector werk heb gevonden heeft te maken met wat daarnaast op mijn pad is gekomen. En dan doel ik op werkmogelijkheden’.

Over die werkmogelijkheden. Was het voor jouw moeilijk om na je studie een baan te bemachtigen?

‘Iemand waarmee ik goede contacten onderhield was toen net bij een bedrijf in Schijndel begonnen. Dit bedrijf had zich gespecialiseerd in het opsporen van niet-gesprongen explosieven. Dit werk was voorheen een taak van de overheid, maar is ruim 15 jaar geleden geprivatiseerd. Ik had hem verteld dat ik over een aantal maanden zou afstuderen en vroeg hem of hij mij op de hoogte wou houden wanneer er een baan vrij zou komen. Het bedrijf zocht nog mensen en zodoende ben ik in die wereld gerold. Later ben ik hier in Amsterdam gaan werken bij een concurrent (T&A Survey) en hier doe ik precies hetzelfde werk: namelijk historisch vooronderzoek naar niet-gesprongen explosieven verrichten. Dit betekend dat ik op basis van literatuur- en archiefonderzoek, aangevuld met luchtfotoanalyse en interviews met omwonenden en ooggetuigen een indicatie geven waar mogelijk niet-gesprongen explosieven zouden kúnnen liggen. Wij geven een aan of er kans bestaat dat in een bepaald gebied munitie aanwezig kan zijn en om welk type munitie het gaat. Deze bevindingen worden vervolgens in een rapport samengesteld. Een logische vervolgstap stap is om vervolgens  een veldonderzoek te verrichten om te kijken of er daadwerkelijk munitie in de grond aanwezig is. Of ik vaak in het veld sta mee te graven? Minder vaak dan zou ik willen...’

Bom in Koblenz (Creative Commons Attribution-Share Alike)

Een stapje vooruit. Hoe ziet jouw toekomstbeeld eruit?

‘Ik vind dit werk erg leuk en hopelijk kan ik dit nog jaren blijven doen. De economie trekt weer aan. Het werk wat ik doe is erg afhankelijk van nieuwe bouwprojecten. Overal waar de grond geroerd wordt, is tegenwoordig zo’n onderzoek verplicht en ik zie dat bouwprojecten weer op beginnen te komen. Dit betekent voor ons dat er weer opdrachten binnen komen. In die zin heb ik toch wel geleden onder de economische crisis. Ik zie het niet als een droombaan maar ik vind het wel ontzettend leuk om te doen. Het gidsen vind ik ook erg leuk om te doen, stiekem eigenlijk leuker dan wat ik nu doe, maar helaas zit daar is daar in Nederland te weinig geld in te verdienen om ervan te kunnen leven.’

Je hebt naast het werk dat je nu doet ook heel wat geschreven. Kun je daar iets meer over vertellen?

‘Je doelt nu op mijn publicaties over het Renkumse Veer? Dat is begonnen als privé project. Mijn opa heeft 28 jaar op het veer gewerkt. Bij mij thuis hebben we het er nog wel eens over. Op een gegeven moment dacht ik dat het me wel leuk leek om daar onderzoek naar te doen. Je moet weten dat het veer al in 1973 uit de vaart genomen is, dus heb ik het zelf nooit zien varen. Ik ken alleen de verhalen ’uit de overlevering’. Ik ben begonnen met het benaderen van lokale krantjes en hen gevraagd een oproep te plaatsen. Deze oproep was gericht aan mensen die zich mijn opa als veerman nog konden herinneren en die ik hierover mocht interviewen. Die verhalen heb ik vervolgens verzameld en gepubliceerd in mijn eerste boekje,  Het Renkumse Veer: herinneringen aan veerman Toon Niels 1945-1973. Dit boekje staat bordenvol herinneringen aangevuld met foto’s. De herinneringen zijn toegespitst op het werk dat mijn opa deed. Als bijvangst van het onderzoek ben ik ook in de archieven geweest en heb ik daar veel informatie gevonden over de rijke geschiedenis van het veer. Deze informatie was interessant maar ging niet over mijn opa ging. Het leek mij echter zonde om met die informatie niets mee te doen. Toen besloot ik om daar mijn volgende boek over te wijden. Dit boekje heet dan ook ‘Historie Renkumse Veer’ en gaat terug tot 1700. Vooral inwoners van de nabijgelegen dorpen Renkum en Heteren reageerden enthousiast op mijn publicaties.  Ik verkocht meer boeken dan ik gedacht te kunnen verkopen. Heel veel herinneren zijn naar boven gehaald. De mensen vonden het vooral erg leuk omdat niemand hier nog wat over geschreven had en het raakt ook aan hun eigen jeugdherinneringen. Ik vind het leuk om lokale geschiedenis te beschrijven en zal zeker ooit weer een boek willen schrijven.’

Renkumse veer vanuit Renkum gezien (Jeroen Niels)

Ten slotte, heb je nog tips voor de Reinwardt student die staat te springen om een baan te krijgen?

‘Oef... dat is een lastige. Als je de ergens kans krijgt om een baan te krijgen zou ik die meteen pakken, ook al ligt het niet in het logische vervolg van je studie. Tegenwoordig is het namelijk moeilijk om een baan in de erfgoedsector te vinden. Daarnaast zou ik de studenten mee willen geven om de inhoud te waarborgen. Ik ben zelf heel erg van de inhoud. Ik bezoek nagenoeg alleen historische musea en heb dan al gauw de neiging op zoek te gaan naar de historische fouten. Wat ik bij de Reinwardt gezien heb is dat het heel erg om de vorm gaat, maar dat de inhoud daar niet onder mag lijden. Hoe presenteer je iets en hoe krijg je zoveel mogelijk bezoekers naar je museum zijn centrale vraagstukken die je als erfgoedprofessional zeker tegen gaat komen. Experience is steeds vaker een toverwoord in museumwereld. Soms voert het zover dat je zelfs kunt spreken over ‘Disneyfication’. Door die versimpeling van het verhaal dat wordt vertaald, is er geen ruimte meer voor nuance, zelfs onjuistheden. Ik snap dat het verhaal voor een breed publiek toegankelijk moet zijn, maar het mag nooit ten kosten gaan van de historische juistheid! Ik zie dat een aantal musea de laatste jaren hun rol als kennisinstituut verwaarlozen of helemaal naast hun neer leggen. Daar stoor ik me nog wel eens aan. Toekomstige erfgoedtalenten zouden dit tij kunnen keren, eventueel in samenwerking met andere disciplines zoals (amateur)historici. Dat hoop ik tenminste.’

Benieuwd naar de projecten van T&A Survey? Klik dan hier.


Mediabestanden


0 reacties

Plaats een reactie