'Het meest ontroerd in mijn leven ben ik geweest door de Villa Rotonda van Palladio', Interview met Frank Altenburg

Het is het einde van de middag. Een week voor kerst. Ik zit in een koffietentje naast station Amsterdam Zuid. Frank Sinatra en Bing Cosby zingen op de achtergrond over kerst en sneeuw. Nippend aan mijn cappuccino wacht ik op Frank Altenburg. Frank is als senior beleidsmedewerker werkzaam bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). Hij is actief op het snijvlak van cultureel erfgoed, ruimtelijke ordening en landschap. Ik ken hem van de Reinwardt Academie waar hij een aantal jaar geleden docent Erfgoedtheorie is geweest. Ik herinner me nog een college waar hij enthousiast over de monumentenwet sprak – zijn liefde voor monumenten en architectuur was duidelijk te merken. Ik spreek hem vandaag omdat ik hier zelf ook in ben geïnteresseerd en wil weten hoe hij in de monumentenwereld terecht is gekomen. De deur van het koffietentje gaat open. Daar is Frank.

Kunstgeschiedenis en de Technische Universiteit

Nadat hij een cappuccino heeft besteld komt hij tegenover mij zitten. Frank heeft kunst- en architectuurgeschiedenis gestudeerd aan de Rijksuniversiteit Groningen, daarnaast is hij ook twee jaar gaststudent voor onder meer restauratiekunde aan de Technische Universiteit Delft geweest. In het veld is hij bezig met beleid en advies. Ik vraag hem of hij er bewust voor gekozen heeft niet actief bezig te zijn met restauratiekunde.

Na een slok van zijn cappuccino antwoordt hij: ‘Ik vond kunstgeschiedenis destijds nogal alfa-achtig, het was veel dingen bestuderen en bekijken. Het uitstapje naar Delft gaf me de gelegenheid om wat dieper in dat architectenwereldje en het vak te komen. De kennis die ik er leerde zat toch dichter tegen de monumentzorg aan. Echt zelf gaan restaureren was niet logisch, want dan zou ik een volledige bouwkundeopleiding moeten volgen. Dan word je echt architect’. Hij denkt even na en vervolgt, ‘Het was meer in de sfeer van een bijvak, om tegenover kunstgeschiedenis extra kennis uit de wereld van de bouwkunde te hebben. Het was dus eigenlijk meer om mezelf als kunsthistoricus wat body te geven op het gebied van bouwkunde en architectuur, dan om zelf de restauratiewereld in te gaan.’

Of Frank altijd al het plan had om de kant van beleid en advies op te gaan?

‘Nee, helemaal niet eigenlijk’, zegt hij terwijl hij zijn hoofd schudt. ‘Het waren de jaren tachtig en er was grote jeugdwerkeloosheid. Ik dacht, ik kan rechten of economie gaan studeren en dan wordt ik werkeloos of ik kan iets gaan doen wat ik leuk vind – kunstgeschiedenis – en dan wordt ik ook werkeloos. Ik ben gaan doen wat ik leuk vond zonder een goede voorstelling te hebben wat voor vak ik zou gaan doen. Ik denk dat dat nu is veranderd doordat je op tempo moet studeren. Daarnaast zijn opleidingen ook meer bezig met hoe de theorie van de opleiding verbonden kan worden met de praktijk. Bijna alle opleidingen hebben een stage. Ook binnen de universitaire wereld ga je als student toch sneller nadenken over wat je wilt met je studie en welk vak je daar later mee kan gaan doen’. Lachend gaat hij verder; ‘Terwijl je moet bedenken dat ik nog heb gestudeerd in de tijd dat je er misschien wel acht, negen of tien jaar over zou kunnen doen. Je ging je eerst maar eens lekker ontwikkelen en dan zag je wel.

Frank vindt het belangrijk dat je je tijdens een studie kan ontwikkelen: ‘ Je kan de breedte opzoeken of juist ergens diep op in gaan. De tunnel van jezelf afgrenzen komt vanzelf. Naarmate je ouder wordt en ergens langer zit, kom je steeds meer in een vakje terecht waar je niet zo snel uitkomt, denk ik’. Dit laatste zegt hij met een glimlach alsof hij aan zichzelf denkt.

Frank Altenburg

Frank Altenburg (Bron: Reinwardt Community – Hanne Nijhuis) 

Zijn waar de actie is

Je werkt nu ruim veertien jaar bij de RCE. Heb je in die tijd grote veranderingen gezien op het gebied van monumenten en hoe daarmee is omgegaan?

Hij neemt nog een slok cappuccino en knikt: ‘ Ja. Dat is heel erg veranderd. Alleen al het feit dat de Rijksdienst voor de Monumentenzorg – waar ik ooit ben begonnen – is gefuseerd met de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek. Dat heeft ervoor gezorgd dat het hele terrein van het onroerende erfgoed bij elkaar is gebracht. Vroeger had je allemaal losse organisaties die zich alleen bezighielden met hun eigen werkgebied, zoals monumentenzorg en archeologie. Toen ze bij elkaar kwamen was dat een verrijking. Er moest meer rekening gehouden worden met verschillende lagen en ook het landschap – als een verbindend element – kwam veel meer in de belangstelling. Daarnaast is er een algemene verandering. We hebben het werkterrein van de ruimtelijke ordening opgezocht. We komen uit ons eigen hokje door te combineren met andere maatschappelijke opgaves. We stimuleren dat, als een gemeente ruimtelijke plannen maakt, erfgoed het vertrekpunt van hun plannen wordt’

Heeft dat te maken met de Nota Belvedere?

‘Ja, Belvedere en daaropvolgend de Visie erfgoed en ruimte. Dat zijn de grote bewegingen die gemaakt zijn. Proberen op het speelbord van de ander te raken. En je moet zijn waar de actie is, daar moet je mee samenwerken. Nu zit dat op klimaat, ecologie, verduurzaming, maar ook op krimp en aardbevingen in het noorden van het land. Verder is er niet alleen qua werkgebied veel veranderd, maar ook de manier van omgang. De oude diensten waren erg gewend om alles zelf te bepalen en dat gebeurt nu meer op lokaal niveau. Wij geven alleen advies bij heel belangrijke zaken. Er is een hele slag gemaakt om meer afstand te krijgen.’ Frank kijkt op. Het meisje achter de kassa laat iets vallen. Hij vervolgt zijn verhaal, ‘De andere kant daarvan is dat we meer bezig zijn met het structureel aanbieden van kennis. Op het moment dat je niet meer over iedere dakkapel gaat adviseren is het verstandig om aan de voorkant na te denken wat je vindt over dakkappellen, zonnepanelen of de herbestemming van kerken. We zijn meer op het generieke gaan zitten. We zijn een spin in het web van het hele bestel met een aantal kerntaken. We zijn niet meer bezig om op ieder individueel puntje in het land advies te geven.’

Je werkzaamheden zijn daarmee waarschijnlijk ook veranderd?

‘Ja mijn werk is persoonlijk erg veranderd. Ik ben bij de Rijksdienst voor de Monumentenzorg aangenomen als een soort van lobbyist. Mijn taak was om de monumentenzorg met de ruimtelijk ordening te verbinden, maar dat is inmiddels gemeengoed geworden en praktijk’. Met een lach zegt hij: ‘Dat hoef ik nu niet meer te doen. En persoonlijk zie ik wel dat mijn werk als beleidswerker iets abstracts krijgt. Vijftien jaar geleden was ik meer op het snijvlak bezig tussen beleid en praktijk en kwam ik vaker buiten de deur. Nu krijg ik meer opdrachten en vragen uit Den Haag. Ik sta wat verder van de praktijk af.’

Vind je dat jammer?

‘Soms is dat best jammer. Daarom probeer ik voor mezelf ieder jaar die voeling met de praktijk te houden. Dat kan een klein onderzoeksproject zijn of iets doen met collega’s uit de regio.’

Ben je op die manier ook bij de Reinwardt Academie terecht gekomen?

‘Dat was eigenlijk toeval. Ik zei het net al, als je ouder wordt dan merk je dat je op een gegeven moment op een bepaald pad raakt qua werk. Ik was ergens midden veertig en toen dacht ik ‘’Goh, nou heb ik zoveel jaar dit gedaan, hoe wil ik nu verder?’’. Toen was de Reinwardt opzoek naar een tijdelijke docent. Dat vond ik zo leuk en mijn leidinggevenden vonden dat ook een goede zet, dus toen ben ik anderhalf jaar naar de Reinwardt gedetacheerd. Het gaf mij de kans om mijzelf op een nieuwe manier te ontwikkelen.’

Hij kijkt even naar buiten, ‘Dan kom je erachter wat je weet, maar ook wat je niet of niet meer weet. Soms was ik de studenten van de Reinwardt Academie net een paar stappen voor. Maar goed, je neemt wel een bepaalde kennis en levenservaring mee. Ik heb dus weer nieuwe dingen moeten leren. Dat kwam van pas toen ik weer terugkwam bij de RCE. We fuseerden destijds met het Instituut Collectie Nederland (ICN). Het was een organisatie die archeologie, historisch landschap, gebouwd erfgoed en nu ook collecties onder zijn hoede had. En de Reinwardt heeft zijn wortels met name in het roerende erfgoed en collecties. In huis met mijn nieuwe collega’s van de ICN had ik daardoor makkelijker aanspraak op mijn thema’s’

Historische continuïteit

Nu even iets anders. Je bent doctoraal afgestudeerd op kunstgeschiedenis en architectuur. Ik ben wel benieuwd, wat is je lievelingsgebouw?

‘Dat is een moeilijke vraag.’ Het is even stil, en dan antwoord Frank: ‘Het meest ontroerd in mijn leven ben ik geweest door de Villa Rotonda van Palladio bij Vicenza. Dat vond ik toch wel echt heel erg mooi.’

Kan je uitleggen wat het was waar je zo ontroerd door was?

‘Nou ja, ik kende de Villa uit de handboekjes. Mijn toenmalige vriendinnetje en ik waren er op een verloren namiddag.‘ Hij denkt terug en vervolgt zijn verhaal, ‘Het was in de tijd dat je nog heel veel moeite moest doen om aan geld te komen in het buitenland. We bleken niet genoeg geld voor twee entreekaartjes te hebben. De bank was al dicht en we hadden gewoon geen geld meer tot de volgende dag. Met het laatste geld van die dag mocht ik een kaartje kopen. Ze gunde het mij om de Villa van binnen te bekijken, in mijn eentje. Dat maakte het dus des te bijzonderder.’ Frank verteld enthousiast over de Villa, ‘Het is een totaal symmetrisch gebouw aan alle kanten. Ik had een soort afgelikte boterham verwacht, maar het was in het echt ook heel bijzonder. Ik vind dat architectuur niet iets is dat je snel raakt, want het is vrij hard. Het is bij een schilderij en muziek makkelijker om ontroerd te raken. Ontroerd raken van een gebouw is toch tamelijk moeilijk. Dat had ik hier wel.’

Villa Rotonda

Villa Capra "La Rotonda", Vicenza Italië (Bron: Wikimedia Commons – Stefan Bauer)

Heb je in Nederland een lievelingsgebouw?

‘In Nederland ben ik altijd gecharmeerd geweest van de Van Nelle Fabriek in Rotterdam. Dat is altijd een grote liefde geweest. Ik merk eigenlijk de laatste jaren dat ik meer en meer gegrepen wordt door de openbare ruimte of de stedenbouw en landschap. Dat vind ik veel interessanter. Ik kan hier bijvoorbeeld met veel plezier de Minervalaan affietsen en genieten van de grandeur van dat plan Berlage.’

Het hele idee erachter?

‘Ja, en ieder keer als ik hier doorheen fiets of loop zie ik weer nieuwe dingen. Dat vind ik heel spannend eigenlijk. Wat is er in Amsterdam mooi? Ik vind het Rijksmuseum en het Centraal Station heel mooi, en de Oude Kerk spreekt me ook erg aan.’

Is het dan de esthetiek die je aanspreekt, of het verhaal erachter?

‘Bij de Oude Kerk heb je echt zo’n gevoel van ouderdom. Het gevoel dat je in een tijdmachine terecht bent gekomen. Het is een heel Hollands gebouw met een houten kapconstructie. Het geeft je een gevoel van een Hollandse identiteit, anders dan wanneer je in een Franse kathedraal bent. Zo’n Paleis op de Dam is indrukwekkend. Dat is veel meer vanwege esthetiek, maar ook qua beladenheid van de beelden en schilderijen die enorm appelleren aan een gevoel van grandeur en onze Gouden Eeuw. Het Centraal Station is mooi, maar roept ook associaties met de negentiende eeuw op. Hoe knap het was hoe ze konden bouwen. Je gaat aan stoomtreinen denken en hoe gek het was dat daarvoor de schepen tot het Damrak konden komen. Er zijn plekken waar je merkt dat het verhaal naar boven komt zoals Loevestein en het Anne Frankhuis, maar ook bijvoorbeeld zoiets als het Balloërveld in Drenthe. Dat is gewoon heidegebied, maar wel een van de grootste archeologische terreinen van Nederland. Als je daaroverheen fietst op een stille zomeravond besef je dat daar duizenden jaren geleden al mensen woonden. Daar zie je eigenlijk niks meer van, behalve af en toe een grafheuvel. Dat gevoel van die enorme historische continuïteit is iets dat erg aanspreekt.‘ Frank vertelt dit allemaal met een grote glimlach op zijn gezicht.

Balloërveld

Balloërveld, Drenthe (Bron: Flickr – Dondersteen)

Er komt iemand langs onze tafel die vraagt of we nog iets willen drinken. Het antwoord is nee. Frank zet zijn verhaal voort, ‘Soms is het ook generatiegebonden, of je iets mooi vindt. Ik ben van de generatie van na de oorlog, dus ik kende mijn geboortestad Groningen niet anders als een deels wederopgebouwde stad, met moderne architectuur. De generatie van mijn ouders en grootouders heeft dat nooit mooi gevonden, want die verlangden terug naar die oude vooroorlogse stad. Ik heb iets met het decor van mijn jeugd, en andere mensen hebben iets met het decor van hun jeugd. Het is heel persoonlijk waarin je je thuis voelt.’

Wedden op meerdere paarden

Kan je een tip geven voor toekomstige erfgoedprofessionals?

‘Dat vind ik lastig.’ Het is stil. Na even denken antwoord Frank: ‘Ik denk dat je je in deze tijd niet moet fixeren op één baan, dat zou mijn eerste raad zijn. Verder denk ik dat je er heel erg op moet instellen dat je je eigen werk zult moeten maken. Als je ergens heel erg door gepassioneerd bent is het slim je te specialiseren. Terwijl het voor anderen slimmer is om op meerdere paarden te wedden. Wees een erfgoedprofessional, maar ook bijvoorbeeld een goede muzikant of doe iets met thuisbakken. Ik denk dat het aantal mensen dat loonslaaf wordt zal afnemen, er komen meer ZZP’ers. Doe vooral waar je passie ligt, en als je dat niet weet probeer je dan zo breed mogelijk te ontwikkelen. En blijf vooral nieuwsgierig, zoek verbanden met andere mensen en ga netwerken. Het wedden op één paard lijkt mij voor veel jonge mensen niet verstandig meer in deze tijd. Tenzij je echt denkt, dit is mijn niche, dit is mijn ding.’ Met dit advies sluit Frank dit interview af. Ik bedank hem en we zeggen gedag.

 

 


Mediabestanden


0 reacties

Plaats een reactie