Verslag van Erfgoedarena 12/15

De laatste Erfgoedarena van 2015 betrof een discussie over graffiti. Eentje waarin niet per se de kunstbeschouwing van het graffitispuiten de hoofdrol speelde. Vanuit het oogpunt van cultureel erfgoed werd namelijk gekeken naar het verzamelaspect. Wie bewaart graffiti? Op welke manier wordt dat dan bewaard? En: moeten we dat überhaupt wel willen?

 

Graffiti heeft carrière gemaakt, dat mag best gesteld worden. Waar het in de vroege jaren vooral een hobby was van verveelde of protesterende jongeren, groeide in de jaren zestig en zeventig het aantal tags op straat, om in het volgende decennia door te dringen tot galeries en musea. Inmiddels kennen we Amsterdam niet zonder. Over het algemeen waarderen we het meer dan vroeger en is graffiti zelfs bestempeld tot street art. Die waardering is zo groot dat we graffiti-artists misschien wel kunstenaars mogen noemen. In ieder geval vinden we dat graffiti zelf behoort tot het erfgoed van Amsterdam. En erfgoed willen we bewaren. Maar hoe doen we dat met een vergankelijke vorm als graffiti?

Annemarie de Wildt van het Amsterdam Museum denkt dat het niet zo makkelijk zal zijn. Ze opent de avond met een vlog, waarin ze enthousiast vertelt over haar kijk op graffiti vanuit haar rol als conservator. Zij is van mening dat juist doordat graffiti en graffiti-artists hun eigen gebruiken hebben, het moeilijk is een verzameling vorm te geven.

Moeilijk, maar niet onmogelijk. Dat is de boodschap van Anna Stolyarova. Met hulp van het door haar opgerichte Street Art Museum heeft ze ‘haar’ buurt Nieuw-West een gezicht gegeven. De graffiti vind je echter niet alleen binnen de muren van het museum; het doel van de transformatie is de buurt mooi te maken en de buurt beschikbaar te stellen aan graffiti-artists. In overleg met allerlei betrokken partijen worden objecten aan ze vrijgegeven. Dat maakt Nieuw-West een “walk-through gallery” – om haar te citeren. Overigens met succes: er is vraag naar dagelijkse tours.

Graffiti vs. street art

Niet iedereen is het ermee eens dat graffiti een buurt kan verbeteren. Sommige mensen blijven graffiti associëren met verzet, hangjongeren en drugs. Het heeft te maken met perceptie. Die perceptie ligt ook in de definitie; er blijkt een vage lijn te zijn tussen street art en graffiti. Anna zelf gaf al aan wel van graffiti te houden, maar niet van de tags. En als ze het in perspectief plaatst: wel van rock’n roll, maar niet van drugs. Maar je kunt het niet scheiden. Want hoewel het los van elkaar bestaat, vind je ze ook samen.

Graffitischrijver Mick la Rock bevestigt die vage lijn. Street art in zijn puurste vorm is uitgewaaierd van de simpele, iconische tags tot hele kunstwerken op straat. Wel is er een duidelijk verschil tussen een graffitischrijver en een –kunstenaar, vertelt La Rock. Dat verschil zit hem in het signeren. Doe je het wel, ben je het eerste; doe je het niet, het laatste. Ter illustratie: veel mensen plaatsen Banksy in het hokje van graffiti-artists, maar hij ondertekent zijn werken nooit en is daarom een kunstenaar.

En dan zijn er ook nog kruisbestuivingen, zoals bijvoorbeeld te zien is in het werk van Keith Haring, die geïnspireerd was door de graffitiscene.

Blackbook

Wat Mick la Rock ook vertelt is dat graffiti-artists hun pieces maken met de gedachte dat het wordt weggehaald. Dus ’s nachts tekenen en ’s morgens bij daglicht een foto maken, welke dan het zogeheten blackbook ingaat. Dit blackbook is een belangrijke bron en verzamelplaats; het zijn haast kleine museumpjes. Daarmee is graffiti in elke vorm vergankelijk. De artiesten bewaren het zelf. Kunnen we dat managen? Robin Vermeulen, Reinwardt-alumnus, denkt van wel, of dat we de rituelen in ieder geval kunnen safeguarden. De graffiti-artists zoeken zelf al naar een vorm om het te bewaren en hun blackbooks zijn een stap in de goede richting.

De charme van graffiti

Moeten instellingen hierbij een rol gaan spelen? Zoals de Dutch Graffiti Library die blackbooks en werken verzamelen en openstellen. Robin denkt dat je het niet moet institutionaliseren om het originele (vergankelijke) karakter te behouden. Dat luchtige karakter hoort er nu eenmaal bij, dat is de charme van graffiti. Tegelijkertijd valt natuurlijk niet te voorspellen hoe we daar over twintig, dertig jaar over denken; wat let het ons om een poging te doen tot verzamelen en bewaren?

Wie bepaalt?

Op dit moment neemt de Dutch Graffiti Library het voortouw in de ontwikkeling: zij verzamelen en borgen blackbooks en maken die vervolgens inzichtelijk. Mensen en musea mogen naar hen toe komen en zoeken in de ‘collectie’; zoals het een echt archief betaamt. En zo’n centraal punt is makkelijker te organiseren dan wanneer de musea het voor zich doen. Ook niet onbelangrijk: de Library leeft in de scene en kent daardoor de criteria om graffiti te kunnen verzamelen.

Jasmijn Rana, projectmanager bij Imagine IC, vraagt zich af wie dat bepaalt. De graffiti-artist, een curator of iemand anders? En wie bepaalt wie daarover mogen meepraten? Riemer Knoop mengt zich direct in de discussie die ontstaat: hij is van mening dat de manier waarop je bewaart en wie dat bepaalt, principieel niet te beantwoorden is. Dat is afhankelijk van te veel aspecten die tezamen zelden overeenstemming vinden; tijd en gedachtegoed spelen hierin natuurlijk een hoofdrol. Belangrijker is misschien de vraag hoe je een proces organiseert om inzicht te krijgen in de discussie. Om vervolgens de focus te verplaatsen en bezig te zijn met de vraag hoe je om wilt gaan met graffiti, in plaats van met de vraag hoe je het wilt bewaren. Dat is lastig; wij mensen hebben nu eenmaal de drang om grip te hebben op dingen, zelfs op iets vergankelijks als graffiti.

Graffiti als immaterieel erfgoed?

Albert van der Zeijden, beleidsmedewerker bij de VIE, heeft het gevoel dat immaterieel erfgoed pas bij dreiging wordt geborgd. Controversie en zorg staan dan lijnrecht tegenover elkaar. Maar mogelijk is het wel, bijvoorbeeld met de Nationale Inventaris Immaterieel Cultureel Erfgoed van Nederland. Die heeft niets te maken met behouden en bewaren, maar met het safeguarden van het karakter en de omgangsvormen van bepaald erfgoed, voorgedragen door gemeenschappen die beseffen dat het erfgoed deel uitmaakt van hun identiteit en het willen borgen voor volgende generaties. Op deze lijst is een potentiële plek open voor graffiti.

Dan dwalen we af en komen we in een discussie terecht over de definitie van erfgoed. Niet makkelijk te beantwoorden, zo blijkt, en Riemer grijpt in met een monoloog over perceptie en gedachtegoed gebonden aan een bepaalde tijd in relatie tot erfgoed. De gemoederen zijn gesust. En toch gaat iedereen met veel stof tot nadenken naar huis en gevoed met nieuwe inzichten naar een volgende discussie-avond over erfgoed. Want ja, het laatste woord hierover is nog niet gezegd.


Mediabestanden


0 reacties

Plaats een reactie