Van soldaat gewondenvervoerder in Assen, naar directeur Defensiemusea in Soest

Vanuit mijn interesse in Erfgoed én Defensie is er maar één persoon die interessant genoeg is om te interviewen. De heer Paul van Vlijmen.
Sinds 2014 is hij directeur bij de Koninklijke Stichting Defensiemusea (KSD). Hiervoor was hij 27 jaar lang werkzaam bij het Spoorwegmuseum in Utrecht, als onder andere directeur, waar hij veel veranderd heeft.
We zitten in het kantoor van de heer van Vlijmen in het gebouw van het Nationaal Militair Museum (het NMM). Vanuit zijn kantoor heb je een prachtig uitzicht op de tentoonstelling en het terrein van het museum. Nog voordat ik mijn eerste vraag kan stellen begint van Vlijmen enthousiast te vertellen.

Uitzicht vanuit het kantoor van Paul van Vlijmen
Deel van het uitzicht vanuit het kantoor

De Koninklijke Stichting Defensiemusea?
Rond het jaar 2000 werd besloten het museumbestel van Defensie opnieuw te ijken, het idee was om één groot Defensiemuseum op te zetten. Dit museum zou voor de samenleving een venster op defensie moeten worden. Ieder krijgsmachtdeel kende integraal haar eigen museum en daarnaast waren er nog een hele hoop kleinere collecties binnen de land-, lucht- en zeemacht. Allemaal hadden die de officiële titel Historische Verzameling. Rondom dit idee van één krijgsmachtmuseum is een hoop gedoe geweest, want de verschillende onderdelen zeiden vast te zitten aan hun eigen locaties. Gevolg hiervan was dat alleen het legermuseum (toentertijd in Delft) en het Militaire Luchtvaartmuseum (toentertijd in Soesterberg) zouden opgaan in het NMM. “Daar is een plan voor geschreven en eigenlijk was het te ingewikkeld. Want alle musea, op de Stichting legermuseum na, stonden nog onder het beheer van het ministerie van defensie.”
De oplossing die daarvoor bedacht werd, was om alle musea onder één koepel te brengen en uiteindelijk is er ook daadwerkelijk voor één koepel gekozen. De Koninklijke Stichting Defensiemusea (KSD) opereert vanaf dat moment met vier musea, dit om recht te doen aan de identiteit van de drie kleinere musea (het Marinemuseum, het Mariniersmuseum en het Marechausseemuseum). “De Stichting zorgt onder andere voor de HR, personeel, randvoorwaarden, financiën en de contacten met het ministerie en de operationele commando’s.”
Aan het hoofd kwam één directeur komen met daaronder de vier museumdirecteuren als vestigingsmanagers. De KSD heeft de taken en de collectieverantwoordelijkheid van het ministerie van Defensie overgenomen.

'Andere vaardigheden..
Het vergt andere vaardigheden om een museum aan te sturen waar veel bezoekers komen, dan wanneer je een klein museum aanstuurt. Vaardigheden die Paul ontwikkeld heeft in zijn functie als directeur van het Spoorwegmuseum. Het uitdagende in deze functie is om de directeuren niet voor de voeten te lopen in de uitvoering van het beleid. Wanneer er geen bezoekers meer komen hoeft van Vlijmen, naar eigen zeggen, pas in te grijpen, nu kan hij volstaan met sturing in denkrichtingen.
Van Vlijmen denkt even na en komt dan met het volgende voorbeeld: “Als je een evenement organiseert dat een weekend duurt, met het doel om 3.000 bezoekers te trekken. Dan vind ik dat wat weinig. Als je 400.000 bezoekers wilt trekken in een jaar, dan moeten er in dat weekend 20.000 mensen komen. Hoe bereik je die opschaling? Dat doe ik nu met name. Van grof naar fijn denken.” Deze manier van denken is één van die vaardigheden die hij heeft ontwikkeld. Op het terrein van het museum wordt een openlucht theater gebouwd om tankshows te kunnen geven. Een vraag waar dan bijvoorbeeld over nagedacht kan worden is of er genoeg toiletten zijn. Dit soort vragen wordt vaak in de planning vooruit geschoven.
Op 10 mei moet de eerste show gegeven worden en in augustus komt er een tankshow voor het 100 jarige bestaan van de tank.

.. en nieuwe bevoegdheden'
De functie die van Vlijmen nu bekleedt geeft hem andere taken en bevoegdheden dan in zijn vorige functie als directeur van het Spoorwegmuseum. Toen stond hij direct boven de medewerkers. Nu zijn daar de vestigingsdirecteuren die tussen hem en de museummedewerkers staan. “Ik ben bij wijze van spreken de directeur van Unilever geworden en niet die van Dove of Blueband. Dat zijn aparte divisies die ieder een eigen identiteit hebben.” Van Vlijmen zorgt onder andere voor de bij de doelen van de stichting passende regels en een passende marketing. De uitvoering hiervan ligt bij de directeuren van de musea. Van Vlijmen schrijft het meerjarenplan met een bepaalde visie. In dit plan mogen nuances aangebracht worden, maar deze visie is de richting en deze wordt tijdens speciale congressen en bijeenkomsten gecommuniceerd met Defensie.

Defensiemusea en Historische Verzamelingen
De stichting overkoepelt de vier Defensiemusea. Dit zijn echter niet de enige vier locaties waar de krijgsmacht te vinden is. Zo is er bijvoorbeeld ook het Cavaleriemuseum in Amersfoort. Het verschil zit hem in de manier waarop gecategoriseerd wordt. Het Cavaleriemuseum wordt vanuit Defensie gecategoriseerd als een Historische Verzameling en niet als museum. De KSD overkoepelt alleen de Defensiemusea en niet de Historische Verzamelingen of Historische Collecties.
Hij moet glimlachen wanneer ik hem vraag waarom deze verzamelingen niet worden ondergebracht bij een aansluitend Defensiemuseum. “Een verstandige vraag, maar door de aard van zaken niet nodig. Een Cavalerist is een ander persoon dan een Artillerist. Een andere familie binnen de Krijgsmacht.” De Historische Verzamelingen zijn vaak te vinden op kazernes en doen ook dienst als een soort ontmoetingsplek, een plek waar je met gelijkgestemden spreekt en herinneringen ophaalt. Ze doen dus ook dienst als een achterbanmuseum. “Deze collecties onderbrengen bij één van de musea zal de waarde van deze verzamelingen reduceren.”

“..een straaljager is geen Boeing 747!” Van Vlijmen over waarom er bommen onder de vliegtuigen moeten komen.

Hoge bezoekersaantallen
In 2014 had de stichting voor 2015 als doelstelling, om 400.000 bezoekers naar haar musea te trekken. Dit aantal is echter met ruim 200.000 bezoekers overtroffen.
De KSD heeft niets te maken met dit enorme aantal bezoekers. “Het heeft te maken met een stalen marketing rond de opening van het NMM.” Zegt, een zichtbaar trotse, van Vlijmen. De schatting van 400.000 bezoekers was gebaseerd op de volgende schattingen: het NMM zou rond de 300.000 bezoekers gaan trekken, het Marinemuseum rond de 90.000 bezoekers en de overige twee gezamenlijk rond de 30.000 bezoekers.
Voor 2016 wordt het, omdat je de promotie rondom de opening nu mist, lastig om dit aantal weer te halen. “Reëel gezien zou circa de helft gehaald moeten kunnen worden. De ontwikkeling van bezoekersaantallen in het NMM verschilt omdat dit pas een jaar open is, van de overige drie musea. Deze zijn redelijk stabiel. Bij het NMM hebben we in 2015 circa 520.000 bezoekers gehaald. Nu lijkt het realistisch om rekening te houden met een daling na het eerste jaar, hopelijk van 500.000 naar 400.000, een daling van 100.000. Dat zou bijzonder fijn zijn. Echter groei is mijn ideaal.”

Het gebouw van het NMM
Het gebouw waarin het NMM huisvest

Appels en peren! Treinen en straaljagers?
In een eerder interview gaf van Vlijmen aan meerdere overeenkomsten te zien tussen de NS en Defensie. Zo kennen ze beiden een monopolie en zijn het bedrijven die iedere dag geschiedenis maken. Een andere overeenkomst is dat beide bedrijven op zichzelf zijn gericht. “Bij Defensie is dat meer het geval dan bij de NS, want de NS heeft echt klanten. Defensie heeft geen klanten.” Er wonen in Nederland zeventien miljoen mensen. “Ik wil die zeventien miljoen mensen het gevoel geven dat ze goed bediend worden in hun vragen over dit bedrijf.” Net als de NS zit Defensie in een scoop waar mensen best wel iets van willen weten en ook een mening over hebben. Je hoeft niet meteen te roepen dat we moeten gaan bombarderen als je een bom onder een jachtvliegtuig ziet, maar het is wel leuk er iets over te weten.
Mijn eigen conclusie dat de musea een soort klanteninformatie van Defensie zijn wordt snel verbeterd. “Nee, dan loop je het risico een loket te worden, een wervingsbureau. En dat zijn we niet. Als museum heb je conservatoren en marketeers in dienst maar geen afdeling werving en selectie.” Voor Defensiemusea is het belangrijk dat zij zich realiseren dat de musea een eigen identiteit hebben. Door, van een afstand, te vertellen wat er van belang is geweest en wat er nu van belang is krijgt zij haar identiteit en haar integriteit. Door deze identiteit ziet hij Defensiemusea een rol hebben in de maatschappelijke discussie. “Willen wij hier debatavonden hebben met zowel rechtse als linkse partijen, een PVV afdeling en de Mohammedaanse gemeenschap. Ja, zoiets zou ik me hier kunnen voorstellen. Op het snijpunt van de actualiteit.”

Ondanks veel overeenkomsten is er één groot verschil tussen de NS en Defensie. Tentoonstellingen in het Spoorwegmuseum kunnen leuk gemaakt worden. Het is leuk om te reizen en een nieuwe horizon te ontdekken. In de Defensiemusea mag het niet te leuk gemaakt worden, het gaat in deze musea uiteindelijk om oorlog en vrede, om leven en dood. “Je hebt hier altijd restricties in de wijze van overdracht. Je moet bij het maken van een tentoonstelling altijd in het achterhoofd houden dat het hebben van een krijgsmacht door de eeuwen heen altijd samenhangt met die twee thema’s.” Kijkend vanuit het kantoor naar een vliegtuig in de tentoonstellingsruimte vertelt hij dat alle straaljagers zonder bommen hangen. Iets dat hij binnen een jaar veranderd wilt hebben, want een straaljager is geen Boeing 747! En het draagt, zonder geweld te verheerlijken, een andere lading mee, letterlijk en figuurlijk.

Een straaljager in het NMM
Een straaljager, zónder bommen

Toen van Vlijmen in 2014 begon in deze functie volgde hij Theo Ent, Generaal buiten dienst op. Het antwoord op de vraag of hij zaken anders zou hebben gedaan als hij van begin af aan directeur was geweest, werd een lofzang voor zijn voorganger. Van Vlijmen leunt naar voren en steunt op de tafel, het raam uitkijkend begint hij: “Het grappige is, als ik terugkijk dat het onmogelijk was geweest dat ik hier zou komen. Want het moest vlot getrokken worden bij defensie en er was er maar één persoon die door alle betrokken partijen vertrouwd werd en goed lag.” Natuurlijk zijn er keuzes waarvan hij achteraf denkt, deze had ik zelf anders gemaakt! Maar dat ziet hij als iets onbelangrijks. “Denk altijd van grof naar fijn, dat is mijn motto als ik het over werk heb, je moet eerst zorgen dat het er komt. Als het er komt, dan kan je nadenken over of je de bewegwijzering groen of geel wilt hebben. Ik denk echt: Theo Ent was dé man om dit te doen. Als iemand anders het had geprobeerd, dan was het helemaal mislukt.”

Defensie in zijn bloed
Sommige onderwerpen worden pas interessant als je er mee geconfronteerd wordt. Zoals voor van Vlijmen het geval was met treinen tijdens een eerste bezoek aan het Spoorwegmuseum. Defensie was echter anders. Hij is opgevoed in een gezin waar zijn vader in dienst heeft gezeten. Voor de oorlog volgde zijn vader een opleiding aan de KMA (Koninklijke Militaire Academie), net als voor de meeste Nederlanders toentertijd was het een nare periode. Zijn vader verloor veel mensen om hem heen. Toen hij eenmaal begon in deze functie dacht hij vrijwel gelijk: “Oh jee wat weet ik veel van defensie!” Deze kennis had hij onbewust meegekregen van zijn vader. Het werd hem met de paplepel ingegoten en daardoor voelde beginnen met deze functie als een soort thuiskomen.

Niet alleen vanwege de opvoeding van zijn vader heeft van Vlijmen een goed gevoel bij Defensie. Zelf heeft hij ook in dienst gezeten. Acht maanden bij de 42ste geneeskundige compagnie in Assen als soldaat gewondenvervoerder. In een drietonner reed hij gewonde soldaten naar het hospitaal. Vanwege rugklachten werd hij na die acht maanden afgekeurd. Maar wie denkt dat rugklachten een excuus waren om niet over een stormbaan te hoeven rennen komt bedrogen uit. “Jawel, als ik dat doe, dan ga ik er ook helemaal voor.” Hij moet lachen, “Dus daarna had ik dan weer last en kon ik weer revalideren.”

“Denk altijd van grof naar fijn, dat is mijn motto als ik het over werk heb..”

Niet in dienst, wél officier
Wat mij opviel tijdens mijn vooronderzoek naar van Vlijmen is dat hij een onderscheiding draagt op zijn revers. Het is een Koninklijke Onderscheiding die aangeeft dat hij benoemd is als Officier in de orde van Oranje Nassau. In de burgermaatschappij wordt vaak geen groot belang gehecht aan een onderscheiding en wordt deze vaak ook niet herkend. Vanwege zijn functie komt van Vlijmen echter geregeld in contact met militairen en binnen de krijgsmacht herkent vrijwel iedereen de onderscheiding. “Het is een onderscheiding waar ik heel trots op ben.” Vanwege verschillende functies en het laagdrempeliger maken van musea in de maatschappij heeft  hij zijn decoratie, naar mijn mening, dan ook meer dan verdiend.

Nu ik de heer van Vlijmen heb gesproken, zijn enthousiasme heb gezien en over zijn werkzaamheden heb gehoord, hoop ik dat ik, wanneer mijn eventuele carrière bij Defensie stopt, die altijd nog kan voortzetten bij de KSD.


Mediabestanden


0 reacties

Plaats een reactie