#1 Samenvatting Atelier: Placemaking

Straatwaarden is een onderzoek project van de Reinwardt Academie, hier vind een een samenvatting van het eerste atelier (14 t/m 16 maart)

De eerste dag van het Straatwaarden Atelier draaide om een introductie van verschillende perspectieven op en mogelijkheden van ‘placemaking’. Na een korte introductie op de risico’s van falende architectuur en de introductie van de centrale vraag over waarden en relaties die een plek bepalen, werden er verschillende presentaties gehouden ter inspiratie van verschillende perspectieven op ‘plaats’. Michiel Schwarz presenteerde een visie van sustainisme als perspectief op ‘erfgoed x ruimte’. Vanuit het perspectief van zijn publicatie The Sustainist Lexicon toonte Schwarz hoe sustainisme verschilt van het modernistische perspectief en waarom deze verschuiving ervoor zorgt dat er meer gekeken wordt naar collectiviteit en menselijke maat in processen over erfgoed en ruimte. 

 De eerste keynote van de dag was ‘Do’s & Don’ts van Erfgoed en Ruimte’ door Michiel van Iersel. Zijn presentatie was een kritische reflectie op het centrale idee van ‘placemaking’, waarbij een aanwezig element plaats moet maken voor iets anders. Van Iersel liet met aansprekende voorbeelden van onder andere het Museumplein zien dat plaatsen nooit eenduidig zijn en dat de geschiedenis van een plek altijd een weerslag op heeft op hoe het functioneer als plaats. Een concept als de ‘Knowledge Mile’ dat door een partij op een plek wordt geplakt, zal toch rekening moeten houden met de al aanwezige andere verhalen. De volgende keynote, van Joost Beunderman, draaide om erfgoed als platform. De financiële crisis van de afgelopen jaren leidde tot een opkomst van de ‘civic economy’ waarin andere waarden en nieuwe normen van ondernemerschap centraal staan. Door de afwezigheid van de overheid en de private sector in bepaalde problematiek, ontwikkelen zich bottom-up initiatieven op basis van nieuwe protagonisten, participatie, nieuwe waarde- en verdienmodellen en platforms. Met verschillende voorbeelden van platformprojecten, toonde Beunderman hoe de ‘civic economy’ en het platform-denken in nieuwe behoeften kunnen voorzien en mensen kan laten nadenken over hoe de economie opnieuw kan worden ingericht. Juist de open-eindigheid en basisinfrastructuur die platforms vertegenwoordigen, bieden ondersteuning voor netwerken, discussies en nieuwe betekenisgeving, evenals voor erfgoed. 

 In de middag vormden deze presentaties de basis voor een discussie met de aanwezige erfgoedprofessionals over de praktijken van ‘placemaking’. Hieruit bleek vooral dat de verschillende lagen van een plek erg van belang zijn, maar dat deze lagen zeker niet altijd door alle partijen wordt erkend. Dat er wel degelijk een waarden-omslag gaande is en dat de ‘civic economy’ die Joost Beunderman beschreef aan de orde van de dag zijn, werd ook duidelijk uit de verschillende ervaringen. Zo werd de bijzondere ‘vertragingsaanpak’ van het Marine terrein in Amsterdam als een voorbeeld gegeven van hoe er op een andere, minder gehaaste manier met ruimte kan worden omgegaan. Verer werden er voorbeelden uit Amsterdam West gegeven over het belang van de betrokkenheid van buurtbewoners in het creëren van veranderingen, en de kracht van investering in ‘plaats’ bij het aanpakken van sociale problematiek. Een presentatie van Diana Krabbendam en haar werk bij The Beach in Amsterdam West illustreerde deze relatie met de buurt en gaf een kader voor de workshop die de volgende dag plaatsvond. 

 Op de tweede dag werden de inzichten, vragen en waarden van de eerste dag meegenomen in een workshop met als casus de ‘Knowledge Mile’. Na een korte brainstormsessie over de thematiek die iedere groep wilde onderzoeken, gingen vijf teams de straat op om door middel van foto’s, interviews en observatie op zoek te gaan naar welke waarden er verborgen liggen in dit stuk Amsterdam, lopend van het Amstelstation tot De Waag. Na deze sessie, terecht getiteld ‘Into the Wild’, kwamen de teams terug om te werken aan een postpresentatie waarin zij hun bevindingen vastlegden om op de woensdag te presenteren. 

 Woensdag 16 maart werd begonnen met de posterpresentaties van de verschillende teams. De eerste groep richtte zich op de relatie tussen de grote kennisinstituten en de residentiële buurten. Hun conclusie was dat de Wibautstraat en de ‘Knowledge Mile’ feitelijk fungeert als een scheidingslijn tussen zichzelf de buurt en dat de huidige ‘kennis’ die wordt gerekend tot de 'Knowledge Mile', veel soorten kennis negeert die in de buurten erachter aanwezig is. De tweede groep keek naar de verschillende vormen van groene ruimte. Het bleek dat er veel verschillende relaties waren met de groene ruimte en dat de interactie ervan zowel van bottum-up als top-down plaatsvond, maar dat niet alle mensen een gelijke relatie met de groene ruimte te hebben. De derde groep had een case study van de organisatie Stek als uitgangspunt genomen en had onderzocht wat een bewoner of gebruiker verbindt met een plek en hoe een thuisgevoel kan worden ingezet in ‘placemaking’. Een kritische noot hierbij was of een concept als “gezelligheid” ook uitsluitend kan werken. De vierde groep richtte zich op de doorgaande verandering die de Wibaut- en Weesperstraat nu al enige jaren karakteriseert en hielden een pleidooi voor aandacht voor en bewuste omgang verandering, evenals het schenken aan aandacht voor wat er onder het oppervlak nog voor geschiedenis aanwezig is op een plek.

 Het laatste gedeelte van het atelier richtte zich enerzijds op hoe deze ontwikkelingen zich verhouden tot het beroep van de erfgoedprofessional en anderzijds welke conclusies er uit deze dagen ontwerpend onderzoek naar voren zijn gekomen voor de komende ateliers. Een laatste korte presentatie van Dick Rijken situeerde de besproken ontwikkelingen in een speelveld van kennis, macht en betekenis waarin een middenveld effectief verandering probeert in te zetten, waarbij samenwerking immer belangrijker wordt. Over de functie van de erfgoedprofessional in relatie tot ‘placemaking’ in dit kader, werd duidelijk dat deze voornamelijk moet functioneren als intermediair, trekker, draagvlakmaker en oplosser en moet proberen bottom-up processen te faciliteren. 

 In grote lijnen werd uit het eerste atelier duidelijk dat ruimte veel verschillende facetten kent waar een proces van ‘placemaking’ niet zonder meer omheen kan, maar wat zeker gefaciliteerd kan worden door een nieuwe generatie erfgoedprofessionals. Om tot een nieuw begrip van plaats te komen, zijn nieuwe waarden nodig die ruimte en mensen op nieuwe manieren samenbrengt, bijvoorbeeld in de vorm van platforms als basis voor de ‘civic economy’. De volgende Ateliers zullen op dit punt verder gaan en zich richten op de verdere mogelijkheden van deze processen vanuit de thema’s Commons en Co-creatie


Mediabestanden


0 reacties

Plaats een reactie