Memorial Lecture 2016; de geest van de trap

Op zeventien maart vond de negende editie van de Memorial Lecture plaats, waar Margriet Schavemaker, tentoonstellingsmaker en manager Educatie Interpretatie & Publicatie van het Stedelijk Museum Amsterdam, de eer kreeg achter het spreekgestoelte plaats te nemen. Met haar lezing ‘De witte kubus als ‘lieu de mémoire’: modernekunstmusea en de toekomst van de geschiedenis’ verbond Schavemaker dit drietal thema’s tot een sterke analyse die een bijzonder inzicht bood in de gelaagdheid van het modernekunstmuseum.

Het witten als daad

White cube is in modernekunstmusea net zo standaard als de klimaatinstallatie. De witte muren bieden een zo neutraal mogelijke omgeving, die gelijk is voor ieder kunstwerk. Zo kan alle aandacht uitgaan naar de kunst. Schavemaker omschrijft white cube echter niet alleen als een fenomeen, maar als een daad an sich.

Ze verhaalt over de ontstaansgeschiedenis van white cube in het Stedelijk. De monumentale trap bij de oude ingang aan de Paulus Potterstraat staat aan de basis van het witten. Willem Sandberg, de latere directeur, maar destijds nog conservator, had een hekel aan de gele trappenhal met bijpassend gekleurd dakraam. Het was vooral het licht in de hal dat stoorde; het had een gele kleur – om die reden werd de hal ook wel het urinebad genoemd.  Aanhakend bij de internationale tendens om overtollige decoratie en kleur uit de tentoonstellingsruimte te bannen, werd in 1938 de zaal gewit en het glas vervangen.  Niet alleen als experiment, maar ook als bevrijding van het juk en de historische context van het kunstwerk. Het witten symboliseerde neutraliteit, de fysieke context rondom het kunstwerk werd uitgewist en vervangen door een uniforme, democratiserende context, waardoor ieder kunstwerk sterker voor zichzelf kon spreken.

De witte kubus laat volgens Schavemaker niettemin ruimte voor een persoonlijke, immateriële context. Herinneringen verbonden aan de ruimte verdwijnen immers niet zomaar. De neutraliteit van de witte kubus is hiermee doorbroken. Over de kwetsbaarheid van white cube schreef Mark Wigley: “the delicate layer of paint holds together a vulnerable conceptual structure that starts to be exposed when the layer cracks or flakes.” De witte kubus houdt zichzelf in stand, maar zodra er een imperfectie ontstaat, wordt de structuur zichtbaar en verdwijnt de objectiviteit ervan.

De geschiedenis van de toekomst

Schavemaker maakt duidelijk dat als reactie op deze imperfectie er een discursive turn plaatsvond. Modernekunstmusea gingen steeds meer gebruik maken van immateriële media zoals symposia, discussies, workshops en lezingen. Dit bood aanknopingspunten wat betreft het omgaan met en interpreteren van kunst. Maar het veranderde ook de ruimte, omdat deze persoonlijke ervaringen herinneringen werden en kunst zich daardoor ruimtelijker manifesteerde. Binnen de witte kubus ontstond zo  meer ruimte voor interpretatie en werd de kubus een minder eendimensionaal begrip.

Schavemaker vertelt aan de hand van een reeks recente tentoonstellingen over de ontwikkeling die gepaard gaat met deze discursive turn in het Stedelijk. Bij de meeste musea wordt gefocust op de geschiedenis en daar kan vrij aan gerefereerd worden. Bij modernekunstmusea gaat deze (re)presentatie van historische aspecten echter heel anders. Deze musea zijn in principe gefocust op de toekomst. Schavemaker beschrijft deze januskop van de moderne kunst als iets dat ook terug te zien is in het gebouw van het Stedelijk. Verleden en toekomst komen samen in het oude pand van Weissman en de badkuip van Mels Crouwel. Aan de ene kant is moderne kunst op het heden en de toekomst gericht, aan de andere kant kent de moderne kunst ook een eigen geschiedenis.  Schavemaker vertelt niet alleen over de geschiedenis van de toekomstvisie van moderne kunst, maar ook hoe nu en in de toekomst geschiedenis wordt verwerkt in kunsttentoonstellingen. Ze stelt dat relevante herinneringen van en aan het Stedelijk Museum Amsterdam ophalen wél relevant is voor de kunst. Dit is ook terug te zien in de recente ZERO-tentoonstelling en ‘De show van Gijs en Emmy’, waarbij in beide gevallen werd gerefereerd aan eerdere exposities.  De recente expositie ‘Het Stedelijk in de oorlog’ was weer van een heel ander historisch kaliber. Deze werd georganiseerd naar aanleiding van het nationale herkomstonderzoek ´Museale Verwervingen sinds 1933` waarin het Stedelijk Museum maar liefst 16 stukken bleek te bezitten met onduidelijke herkomst. Door middel van deze tentoonstelling werd een medium gecreëerd dat de gelaagde historische context van de kunstwerken kon vertalen naar het publiek.

Deze zelfreflectie biedt mogelijkheid tot een gevarieerde gelaagdheid, om zo een breder publiek in staat te stellen kunst te beleven. Schavemaker beaamt dat dankzij het internet de modernekunstmusea historischer en machtiger zijn geworden. Omdat deze musea echter vaak principieel niet focussen op de (eigen) geschiedenis, maar enkel op herinneringen aan het presenteren en verzamelen van museale kritiek verzandt deze historic turn vaak in institutionalistische profilering van het museum als icoon. Volgens Boris Groys is het gevolg hiervan dat “het museale verzamelen verwordt tot een zelfreflexieve praktijk.’’

De toekomst van de geschiedenis

Archival impulse is een door Hal Foster gelanceerde benaming van onze hervonden liefde voor het documenteren. “In a sense all these archival objects (…) serve as found arks of lost moments in which the here-and-now of the work functions as a possible portal between an unfinished past and a reopened future.” Maar wat als deze archival impulse deel is van een grotere historische omslag binnen de modernekunstmusea? Schavemaker vraagt zich hardop af wat deze omarming van het verleden betekent voor het traditionele onderscheid tussen erfgoedinstellingen en de wereld van de moderne kunst. Nadert het einde van de eens zo exclusief op het heden en de toekomst gerichte witte kunsttempels die hun avant-garde-objecten contextloos tot spreken wilden brengen? Of ligt de betekenis juist in het redden van de modernistische ‘white cubes’ door die te transformeren tot ‘lieu de mémoire’?

Volgens Schavemaker kan, dankzij lieu de mémoire, zelfs een neutrale witte kubus een persoonlijke laag hebben, een ruimtelijk bepaalde variant, geborgen binnen de muren van het museaal gebouw. Misschien wel zoals de monumentale trappenhal, die dankzij zijn gebruiksfunctie deel uitmaakt van ieder museumbezoek. De geest van de trap, en het herbeleven van de geschiedenis, verbinden al deze lieux de mémoire, en vormen daarmee een deel van de museale identiteit van het Stedelijk.


Mediabestanden


0 reacties

Plaats een reactie