Puzzelen tot de ideale oplossing is gevonden, een interview met Martijn de Ruijter -Minor Collectiemanagement 2016

Martijn de Ruijter over collectiemanagement. Tijdens de Minor Collectiemanagement leer je collecties zowel te bewaren als toegankelijk te maken voor tentoonstellingen, depot en onderzoek. In het vak ligt de nadruk steeds meer op het maken van verantwoorde keuzes en minder op het naleven van regeltjes. "We kunnen tegenwoordig steeds betere keuzes maken."
Tentoonstelling bisjpalen in Tropenmuseum

Docent collectiemanagement Martijn de Ruijter werkt inmiddels al 13 jaar in het Tropenmuseum, waar hij restaurator is en het fysieke collectiemanagement coördineert. Het belangrijkste dat de docent zijn studenten aan de Reinwardt wil meegeven is de noodzaak om te puzzelen op vraagstukken rond collectiebeheer: “Simpele antwoorden zijn er niet.”

 

Hoe heb je het vak de afgelopen jaren zien veranderen?

 

Vroeger was bewaren bedoeld voor de eeuwigheid, nu hebben we het over ‘het managen van verval’. Je weet dat alle voorwerpen uiteindelijk vergankelijk zijn. Handelingen in het museum bespoedigen dat. Je wil alles zo lang en zo zorgvuldig mogelijk bewaren, maar er zijn beperkte budgetten en je moet altijd keuzes maken. Ik gebruik vaak een schema met drie generaties en gele smilies om dat te illustreren. Stel je hangt nu alle kostbare Esschers op die je hebt, dan heeft opa drie smilies en de rest niks. Als iedereen genoegen neemt met minder, is het genot van de kunstwerken beter verdeeld over de verschillende generaties. Vroeger probeerden we dat te regelen met heel veel regeltjes. Collectiebeheerders waren bureaucraten zoals vroeger in de Sovjet-Unie, die alles met een vette njet tegenhielden. De nadruk is gelukkig verschoven naar risicomanagement. We kunnen heel goed in kaart brengen wat de gevolgen zijn van een ingreep of het gebruik. Daardoor kunnen we steeds betere keuzes maken. ”

 

De Ruijter laat een poster zien met de tien schadefactoren: bekende kost voor eerstejaars. Soms komen conservatoren zijn atelier binnenlopen met de uitroep “Martijn, het gaat allemaal stuk.” Dan gaan ze samen voor de poster staan om te kijken wat nu echt het probleem is en wat de beste oplossing. “Op die manier maak ik het persoonlijk. Dan bedenken we een andere manier van opslaan, bijvoorbeeld een vitrine die goed schoon te houden is.” Het Tropenmuseum heeft een enorme ‘inloop-vriezer’. Als er verdachte objecten in bruikleen binnenkomen waarin De Ruijter insecten vermoedt, gaan ze bij min twintig de vriezer in: ideaal. “Zo is er voor elk materiaal en elke schadelijke invloed weer een andere oplossing.”

 

Welk beeld hebben studenten vooraf van de minor?

 

Ze denken vaak ten onrechte nog erg in wetten en regeltjes: als je dat en dat niet zo en zo doet, gaat het fout! Maar je bent pas een professional als je je kennis kunt toepassen op de specifieke situatie. Daarom krijgen studenten ook risico-analyse. Een ander belangrijk onderdeel is materiaalkennis in relatie tot schadefactoren. Nu hebben we bijvoorbeeld voor een tentoonstelling over boeddha’s een aantal bruiklenen over uit Engeland. De Engelsen stellen heel strenge eisen. Kijk, ik heb perspex vitrinekastjes gemaakt, eentje met silicagel, één zonder. In beide ligt een logger die het klimaat daarbinnen meet en ernaast eentje die het klimaat in deze ruimte meet. Elke week stuur ik de bruikleengevers een staatje met cijfers, om te garanderen dat we aan de voorwaarden voldoen.”

 

Werk dat omgekeerd ook zo?

 

Wij zijn veel ruimhartiger. We zitten tenslotte in een oud gebouw dat nooit écht goed is geweest voor museumobjecten. Veruit de meeste musea kunnen niet voldoen aan de standaard bandbreedte van fluctuaties in vocht en temperatuur. Dat betekent veel puzzelen. Ik ben heel trots op hoe we dat in het Tropenmuseum aanpakken: dat we met een beperkt budget goede oplossingen realiseren. Zo hadden we een tijdje geleden voor een tentoonstelling 37 bisjpalen (voorouderpalen van de Papoea’s, red) in bruikleen. Dan kun je wel evenzoveel verschillende kisten gaan maken, maar er passen er toch maar zes in de vrachtwagen. Toen hebben we van de grootste paal één mal gemaakt en gekeken of die het museum in kon. Via het restaurant droegen we die de lichthal in. Om aan de vereiste te kunnen voldoen dat het beeld binnen uitgepakt moest worden, plaatsen we op het dak een partytent. Van daaruit hebben we de paal met twaalf mensen zo naar binnen getild. In de praktijk ging het precies zo. Heel leuk als dat soort dingen lukken.”

 

Ben je een ook beetje een uitvinder?

 

Soms wel. Kijk bijvoorbeeld naar dat masker aan de muur. Die hangt aan een metalen stang met een op maat gemaakt vormpje eraan, zodat hij op naar voren springt en je echt aankijkt. Voor een uitgaande bruikleen van maskers dachten we goed na over de manier waarop we de objecten het beste konden mounten. Sommige maskers waren een paar miljoen euro waard. Daarvoor maakten we een microklimaatdoos die ook als kluis functioneerde. Die werd in een speciale vitrine gemonteerd, alarm erin en de kappen dichtgeschroefd: tegen de tijd dat iemand de deuren open heeft, gaat het alarm af.”

 

Wat leer je studenten over klimaatbeheersing?

 

Voor de module klimaat en gebouw gaan we dit jaar naar Kasteel Cannenburch. Daar komen isolatie, luchtstroom en het interpreteren van gegevens aan bod. En studenten zien dat je heel gedisciplineerd moet zijn als je be- en ontvochtigers gebruikt; die apparaten moeten telkens gevuld, geleegd en schoongemaakt worden. De vraag is dan ook: hoe pak je klimaatbeheersing aan? Neem je een ruimere bandbreedte als norm of zet je alle kwetsbare objecten op één plek die je wél optimaal maakt? In het Museum van Volkenkunde hadden we speciaal een fulltime kracht in dienst voor het onderhouden van de be- en ontvochtigers. Die kan je misschien veel beter inzetten voor het inrichten van tentoonstellingen of het ophangen van schilderijen.”

 

Welke modules krijgen studenten verder nog?

 

In het eerste blok krijgen ze naast de modules museumklimaat ook calamiteitenplannen en depotbeheer. Vaak schrikken de studenten zich een hoedje als ze in back office depots komen. Musea besteden soms weinig aandacht aan het goed opbergen van hun objecten, terwijl daar heel simpele en betaalbare oplossingen voor zijn. In het tweede blok maken studenten tijdens de module collectiemanagement een plan voor een klein museum. Dat is wel eens confronterend, omdat de directie het onderwerp wel op papier heeft staan maar er nog niks aan doet. In kleine musea geldt nog sterker het belang van keuzes maken. De leukste module vind ik transport, tentoonstellen en montage. Daarbij leren studenten over bulkoplossingen en maatwerk. Ze gaan ook zelf een transportkist maken. En ze leren hoe je kledingstukken zó opvult dat het verantwoord is en er ook nog goed uitziet. Voor de tentoonstelling over de Sixties zijn de vormgever en ik naar een hal met 40.000 poppen van een etalagepoppenleverancier geweest, om onze keuze te maken.”

 

Door kronkelende ondergrondse gangen leidt De Ruijter me naar de depots. Het zijn er vier; samen herbergen ze maar liefst 300.000 objecten. "Heb ik al verteld dat we in het museum heel tevreden zijn over stagiaires van de Reinwardt? Hun niveau is hoog en ze zijn goed opgeleid."

 

Hier en daar liggen spullen klaar voor onderzoekers of conservatoren; mooi verpakt in dozen en zacht materiaal ter ondersteuning. In een depot staan honderden houten beeldjes in verschillende formaten opgesteld. Een aantal daarvan zit verpakt in een strak houten staketsel of een kist. “Kijk, die zijn al eerder op transport geweest en dan laten we ze gewoon in hun voorverpakking zitten”, legt hij uit. “Kan een ander museum het zó weer meekrijgen. Hoe leuk wil je het hebben? Kijk dit beeld, dat is heel populair, daar ben ik nog mee in Quebec geweest.” Hij trekt laatjes open en rolkasten opzij. Alles keurig geordend en verpakt en grotendeels gedigitaliseerd. Ze hebben hun collectie in het tropenmuseum keurig op orde, wil De Ruijter maar zeggen.

 

Heb je wel eens een ramp meegemaakt?

 

Ik heb tijdens de herinrichting van het Rijksmuseum voor Volkenkunde in Leiden een keer de top van de mast van een manshoog houten bootmodel kapot gestoten. Een technicus had een draadje voor de koptelefoon door de ruimte gespannen dat we niet zagen, toen bleef het topje van de mast hangen. Gelukkig was de verse breuk perfect te repareren. Bij de installatie van drieduizend objecten is het onvermijdelijk dat het een keer misgaat: waar gehakt wordt, vallen spaanders. Om de kansen te minimaliseren werken we met hele strakke procedures en een goede, rustige werkomgeving waar je geconcentreerd je werk kunt doen."

 

Is het ook je eigen praktijkervaring dat absolute antwoorden niet bestaan?

 

Ja. Toen ik nog werkte in het Museum van Volkenkunde, moest ik de eisen voor de verbouwing opstellen. Ik wilde het ‘goed’ doen en benoemde de ideale eisen voor de collectie. Leuk, zei de directeur, maar alleen al de elektriciteitsrekening voor de klimaatinstallatie zou drie keer ons jaarbudget bedragen. We hebben toen het ontwerp aangepast en veel deuren geplaatst, want hoe meer compartimenten, hoe stabieler het klimaat. Als ik het nu over zou mogen doen zou ik een lagere algemene norm kiezen, en meer lokale oplossingen. Teveel deuren maakt de collectie minder toegankelijk. Dat zijn allemaal keuzes. De vraag is elke keer weer: hoe ga je daarmee om?”

 

 

 

 


Mediabestanden


0 reacties

Plaats een reactie