Over de eenheid van een verdeelde wereld.

Een interpretatie van globalistische ethiek binnen het verwachtingspatroon van het nieuw-rechtse tijdperk.

Heden, veertien december 2016, verwerk ik de nasmaak die ‘One World’ van Peter Singer bij mij heeft achtergelaten. Peter Singer – Australisch filosoof, gespecialiseerd in toegepaste ethiek – schrijft in het boek over ‘the ethics of globalisation’, over hoe de uitgangspunten die wij in onze ethiek toepassen mee moeten laten groeien met de schaal waarop onze relaties en verantwoordelijkheid in de globaliserend wereld groeien. Het boek is uitgebracht in 2002 en draagt overduidelijk de stempel van zijn tijd.

Het is een bijzonder boek om te lezen in de winter van 2016; het is inmiddels algemene kennis dat er een spook van antiglobalisme aanwezig is op het wereldtoneel waar het spook van Marx jaloers op zou zijn. Singer is een goedwillig en hoopvol man en, in alle overkoepelende onderwerpen die hij aansnijdt – namelijk: klimaat, economie, wetgeving en samenleving gezien vanuit een mondiaal oogpunt – ziet hij, ondanks alle belemmeringen, voldoende lichtpunten waardoor de wereld een betere plek kan worden. De vooruitzichten en redeneringen van Singer komen soms erg naïef over. Ik moet mij echter bewust zijn dat deze naïeviteit enkel geldt vanuit de het heden, binnen de luxe waarin ik nu dit schrijf. Binnen de tijd waarin hij zijn werk schreef, zo’n veertien jaar geleden, gelden zijn verwachtingen en uitgangspunten ongetwijfeld als aannemelijk.

*

Waarom vind ik dat Singer naïef overkomt? Laat ik voorop stellen dat ik tijdens het lezen meerdere malen verbluft werd van het vermogen van Singer om stomme verbazing uit mij te wringen met de ethische vraagstukken die hij opwerpt. De wijze waarop hij voor een, utopisch overkomende, wereldwijde gemeenschap weet te pleiten heeft zelfs mijn veelal cynisch-pessimistische uitkijk tot lichte beweging gebracht. Het is dus absoluut niet dat ik geloof dat Singer in absolute wereldvreemdheid consequent te plank misslaat. 

Waar het vooral gebeurt dat hij mij teleurstelt is in zijn conclusies: na een hoofdstuk vol van vermoeiend taaie vragen, breed uiteenlopende visies tegen elkaar aan smijten en afwegingen en berekeningen opbrengen, komt hij meestal tot een conclusie die, voor iemand met een sterk geloof in de maakbaarheid van de wereld, akelig zacht voelt in contrast met de zelfverzekerheid waarmee hij aanvankelijk door het hoofdstuk heen stormt. Dát of, zoals in het hoofdstuk over de globale samenleving, eindigt hij met pagina’s bol van de speculatieve berekeningen over hoe weinig het ons, per persoon, zou kosten om armoedde te verhelpen of verminderen. In dit geval komt Singer weliswaar eindelijk met een tastbare afsluiting, jammergenoeg staart hij zich dan blind op een niet haalbare financiële route om een globaal probleem op te lossen.

In duizenden jaren geschiedenis is het niet voortgekomen dat een armoedig land door ontwikkelingshulp, als het product van pure altruïsme, op korte termijn op de been is geholpen. Waarom zou het nu dan helpen? In een zekere zin is het heel arrogant om te geloven dat onderontwikkelde landen acuut de hulp van (westerse) ontwikkelde landen nodig hebben. Iedere cultuursfeer in de geschiedenis loopt zijn eigen cycli door, tussen opbouw en verval. Toen het westelijke Romeinse rijk lang vervallen was en de ‘donkere’ middeleeuwen een feit was, bleek de enige vorm van interventie militair te zijn. Niemand heeft ooit getracht om kindersterfte terug te dringen en onthoofdingen te verbieden in middeleeuws europa, terwijl de omliggende rijken wel de macht, cultuur en wetenschap hadden om dit te verhelpen. Wij leven nu toevallig in een tijdperk waar de akeligheid van ver weg op een telefoonscherm kan belanden. Deze confrontatie zien veel mensen als een beroep op hun morele plicht om te arme zielen der aarden te helpen, om daarbij te vergeten dat de wereld al duizenden jaren netjes draait zonder dat men ooit een moer gaf om de tragische lijdensweg van mensen die ver weg leven. Peter Singer lijkt te vergeten dat akeligheid een inherent feit van het bestaan is. Een prachtig uitgangspunt, maar niet eentje wat erg nuttig blijkt wanneer je van plan bent om toepasbare ideeën voor globale ethiek te ontwerpen. Door het gehele boek lijkt zijn onvermogen om te accepteren dat er altijd mensen zullen zijn die een akelig leven leiden hem te verhinderen om tot realistische conclusies te komen.

In de ideale wereld van Singer is de wereld een gedeelde gemeenschap, waar overkoepelende organisaties niet ‘internationaal’ maar ‘globaal’ opereren – ‘internationaal’ impliceert immers dat het om natiestaten gaat, terwijl Peter Singer pleit voor het afbreken van de traditionele, soevereine natiestaat. Hoewel Singer kritisch is en waarschuwt voor de gevaren van zo’n internationaal opererende ‘wereldstaat’ gelooft hij dat het uiteindelijk de enige oplossing is voor problemen van globale schaal die niet door onafhankelijk opererende natiestaten opgelost zouden kunnen worden.

*

Hoe anders zag de wereld er uit, elke keer dat ik dit boek dicht deed en mij met het nieuws van de dag confronteerde. Enerzijds lijkt de wereld absoluut niet de verwachte koers te nemen die het boek van Singer suggereerd; isolationistische politici winnen grond en de heimat lijkt in waardering te stijgen terwijl internationale organisaties hun geloofwaardigheid en steun zien afnemen. Anderzijds zie je een bijzondere synthese plaatsvinden. In deze synthese worden zowel de critici van Amerika als politieagent, critici van globalisme en voorstanders van eerlijkere verdeelde macht tegemoet gekomen. Deze synthese vat ik samen als volgt:

  • (These): Wereldmacht in handen van centrale politieagent Amerika als dirigent van de conflicten;
  • (Antithese): Deze centrale rol van Amerika wordt niet meer geaccepteerd en er ontstaat vraag naar een meer verbonden ‘globale’ wereld;
  • (Synthese): Amerika laat de teugels vieren en laat een geopolitiek klimaat toe waarbij de wereldmacht verdeelt raakt over verschillede grote staten , terwijl de steun van globalisme afneemt – multipolaire machtsverhouding.

 

 

De kritiek op Amerika als politieagent van de wereld heeft gehoor gekregen en op dit vlak gaat een verschuiving plaatsvinden. Niet, zoals verwacht, vanuit de linkse hoek, maar vanuit de nieuwe rechtsen zoals Trump. Trump heeft belooft Amerika verder terug te trekken uit buitenlandse conflicten en ziet de rol van Amerika als ‘wereldpolitie’ als een overbodige en zelfs schadelijke rol. In plaats daarvan ziet Trump de wereld als een plek die ‘multipolair’ behoort te zijn. Dit is een punt wat Theirry Baudet vaak aandraagt als hij in opinieprogramma’s aanwezig is en ik kan hem weinig ongelijk geven voor het feit dat hij zijn hoop en vertrouwen op het multipolaire systeem vestigd. Het multipolaire systeem gaat er van uit dat, in dit geval tenminste, Amerika meer ruimte voor beweging toelaat bij andere grootmachten en deze grootmachten laat waken over hun grensregio’s. Het voordeel hiervan is, vanuit het oogpunt van One World, dat, hoewel de natiestaat voorlopig nog het uitgangspunt van het denken over geopolitieke relaties is, er veel meer verantwoordelijkheid over de wereld wordt gedelegeert naar de supermachten van de verschillende regio’s in de wereld. De leiders van deze supermachten, hoewel er altijd rivaliteiten blijven bestaan, zullen dan eerder bereid zijn om andere landen tegemoet te komen en zich coöperatief op te stellen.

Het feit blijft dan dat er, op de korte termijn, niet voldoende aandacht gaat naar de allerarmste van de wereld, of naar een adequate oplossing voor klimaatveranderingen. Maar dat zijn dan ook punten waarin ik fundamenteel anders naar kijk dan Peter Singer. Singer heeft in zijn boek duidelijk laten merken dat hij gelooft in een sterke maakbaarheid van de wereld. De invloed van de mens is tastbaar, direct en kan bijna volledig gestuurd worden, mits de wil er is. Dat is een idee waar ik persoonlijk van afgestapt ben. Ik ben er van overtuigd dat de wereldgeschiedenis onderheven is aan bepalende winden en dat de mens niet altijd in staat is om hier rationeel op te reageren. De geschiedenis is misschien rationeel te verklaren, rationeel loopt hij allerminst. Ik geloof dat, voor de komende tijd, tenminste, de nieuwe rechtse tendensen in de politiek minder diabolische resultaten zullen opleveren dan dat er over het algemeen verwacht wordt. In tegendeel; ik geloof dat, bijvoorbeeld, Trump veel beter de tijdsgeest aanvoelt en door er naar te handelen de (westerse) wereld op de meest passende manier door de komende tijden heen kan lozen. De multipolaire machtsstructuur lijkt de meest realistische wijze te zijn om om te gaan met de groeiende interconnectiviteit van de wereld en de problemen die het de afglopen jaren bleek op te werpen. Daarnaast heb ik weinig zorgen over alle dringende problemen in de wereld. Gevaren en problemen zijn er altijd geweest. Ik geloof dat mijn ouders al meerdere malen te horen hebben gekregen in hun leven dat de wereld op korte termijn verpulvert zou worden. Dat ik hier nog ben is dan ook allerminst het resultaat van mijn overlevingsvaardigheden, eerder van het gelukkige feit dat de meeste menselijke zorgen hyperbolisch van aard zijn. Toch krijgt de paniekerige mens het, paradoxaal gezien, voor elkaar om eerst de zaak uit de hand te laten lopen, alvorens het opgelost wordt. Maar ook hierin zit een reden voor mijn gebrek aan zorgen. Zie: de mens is een voorspelbaar dier wiens geschiedenis veilig kan worden samengevat in het spreekwoord ‘Pas wanneer het kalf verdronken is, dempt men de put.’ De geschiedenis is dan ook een eindeloze aaneenschakeling van problemen die op het nippertje opgelost worden. Verwachten dat er ooit een eind aan alle problemen komt is, op zijn zachts gezegd, naïef.

Er valt enig optimisme te vinden in deze cynisch-pessimistische beschouwing van de wereld. De angstvallig betrouwbare voorspelling dat ‘alles wel op zijn plekje komt’ en veel van de dingen ‘gewoon zijn zoals zij zijn’ blijft op iedere manier een uitgangspunt wat realistischere hoop biedt dan de ‘One World’ van Peter Singer belooft. Voor nu, althans. De belangrijkste les wat het lezen van dit boek mij leerde is dat de menselijke kijk op de wereld sneller kan veranderen dan ik dacht en dat Jacob Burckhart, de oervader van de hedendaagse geschiedschrijving, gelijk had met zijn bevinding: ‘Het verleden is een ander land, de dingen gaan daar anders.’


Mediabestanden


0 reacties

Plaats een reactie