Slavenmoraal als Politiek Pressiemiddel

Op het moment van schrijven staan wij in Nederland aan de vooravond van een beslissend moment in de koers van de politiek. Vijftien maart mag men stemmen. Onder zulke omstandigheden is het gebruikelijk om hevige polemieken en boze tekstjes te schrijven over de onbekwaamheid van je politieke tegenstander; een traditie waar ik mij bij dezen bij aansluit.

 

   Het akeligste fenomeen dat ik deze campagne zie en wil aankaarten is misschien wel de wel gecoördineerde mobilisatie van de zeiligheidsbrigades. Ik zal eerst een persoonlijk voorbeeld geven hiervan, om vervolgens, via een filosofische benadering uit te leggen waarom het van groot belang is om niet in de zieligheidsval te trappen en je fundamentele vertrouwen vooral uit jezelf te putten. 

   Een actievoorbeeld van wat ik bedoel: afgelopen museumnacht had ik mijzelf aangemeld voor vrijwilligerswerk. Ik kreeg een bescheiden beeldendekunst-gallerij/buurtcentrum in Amsterdam Zuidoost toegewezen. Toen ik hier aankwam was er een debat over het n-woord gaande, ik was te vroeg gearriveerd dus ik besloot mee te doen. Ik verwachte een genuanceerd debat over het onderwerp, waarbij een ruime en open blik naar de problematiek en oplossingen werd aangehouden. Echter, het werd mij al heel snel duidelijk dat de debat leiders er enkel op uit waren om iedereen ervan te overtuigen dat het gebruik van het n-woord een zondige bezigheid was, waarmee je je zwarte medemens alleen maar laag hield, ook als het een deel van een hip-hop lied was en je daarmee mee zong. De beeldvorming bij het onderwerp werd strak gestuurd vanuit de debatleiders. Ik schrok van de manier waarop een van de debatleiders lukraak plukte uit de geschiedenis toen hij westerse, verlichte filosofen begon af te kraken voor hun racistische uitspraken, in en poging hun intellectuele legitimiteit te ondermijnen. Dit mag wel terecht zijn in het licht van de ideeën en gangbare ethiek van vandaag, maar het probleem is dat je totaal geen rekening houdt met de omstandigheden van de tijd waarin die filosofen leefden – een van de vele nuances die in mij opkwamen die niet in zijn verhaal werden genoemd.

   Ik wees hem onder andere hier op en opperde enkele filosofen, uit dezelfde tijd, die bijzonder lovend spraken over de net door het westen ontdekte mensen (neem nou Jean-Jacques Rousseau, die, hoewel nog enigszins onwetend en beperkt denkend, lovend over de nieuwe volkeren sprak als ‘nobele wilden’: mensen die nog niet gecorrumpeerd zijn door beschaving, zoals ons.) Hierop ontving ik een redelijk onsmakelijke en denigrerende reactie, waarbij de beste debatleider zijn kans schoon zag om de waarde van mijn woorden zo te verdraaien dat het niet anders zou kunnen dan dat ik een doorgewinterde racist was en dat Jean-Jacques Rousseau tot exotiserende perverselingen kon worden gerekend. Het feit dat ik een Surinaamse vriendin heb hoeft dan ook niets te zeggen, ik kan natuurlijk nog steeds een racist zijn, anders had ik maar dezelfde politieke opvattingen als die debatmeneer moeten hebben.

   Deze politieke opvattingen werden mij duidelijk toen ik hem achteraf benaderde voor een gesprek – waar ik weer werd weggelachen – en later op internet las wie hij was. De politieke visie van deze debatmeneer, Mitchell Esajas, is samen te vatten in de koppen van de artikelen die hij voor Joop.nl schreef: “Zwarte piet, witte onschuld, etnisch profileren en whitesplaining”, “Sylvana Simons, witte empathie en dekolonisering”, “De universiteit is te veel wit” en “De dood van Mitch Henriquez is geen incident”.

 

 Deze man was er enkel op uit om de politieke evangelist uit te hangen en iedereen te overtuigen van hun fundamentele zieligheid en, als de politieke kwakzalver die hij is, een ideologisch wondermiddeltje aan te bieden.

 

   ‘Waar maak je je nou druk om?’ ‘Mag die man dat niet vinden dan?’, vraag je je misschien af. Ja, dat mag hij zeker vinden, het is meer dan zijn goed recht om voor diversiteit en tegen onrechtmatigheden te strijden, als hij daar oprecht in gelooft. Als hij weldoordacht de conclusie heeft gemaakt dat de wereld zo functioneert dan is er niets op aan te merken en kom ik zijn opvattingen met respect tegemoet in het open debat.

   Wat mijn probleem is, is dat er op een culturele avond een debat wordt gehouden en deze man als debatleider wordt uitgenodigd terwijl hij er duidelijk niet op uit was om een genuanceerd debat te dirigeren. Deze man was er enkel op uit om de politieke evangelist uit te hangen en iedereen te overtuigen van hun fundamentele zieligheid en, als de politieke kwakzalver die hij is, een ideologisch wondermiddeltje aan te bieden. Daar zit voor mij het probleem wat de aderen op mijn voorhoofd doet kloppen. Veel mensen hebben helaas niet de kans of capaciteiten om onafhankelijk tot een weldoordachte, politieke conclusies te komen. Mensen worden opzettelijk betutteld om ze voor een politiek karretje te spannen en dat vind ik schandelijk.

 

   Dit probleem: de wel gecoördineerde mobilisatie van de zieligheidsbrigades, is iets wat veel voorkomt in de politiek. Zieligheid impliceert een noodzaak, noodzaak om te helpen, steunen, aandacht geven enzovoorts.. Het framen van een zaak als zielig, achtergesteld of hulpbehoevend kan heel gunstig zijn als het tot de aandacht kan leiden die je behoeft. Het gevaar hierin is dat er dus ook lui zijn die een zaak tot zielig, achtergesteld of hulpbehoevend verklaren, terwijl die zaak, in realiteit, absoluut niet zielig, achtergesteld of hulpbehoevend is en dan tóch de aandacht kan krijgen die zij eisten.

   Ik probeer hier absoluut niet de ware en ernstige problemen te vergoelijken. Echte problemen dienen écht aangepakt te worden. Echter, het structureel promoten van de zeiligheidsmindset en het brainwashen van mensen om ze tot de kerk van de zieligheid te bekeren werkt juist vertroebelend en voorkomt dat die échte problemen doelgericht benaderd kunnen worden.

 

   Friedrich Nietzsche schreef uitvoerig over dit fenomeen, wat hij het slavenmoraal noemde. Deze theorie is nog interessant om ruim honderd jaar na dato als moreel kompas te gebruiken om het huidige politieke spel te evalueren.

   Het slavenmoraal staat tegenover het herenmoraal, zoals het herenmoraal tegenover het slavenmoraal staat. Volgens Nietzsche heb je in de relatie tussen de heersers en hun onderdanen altijd tegenstrijdige stelsels van moraal. Waarbij de heersers een fundamenteel ander moreel stelsel hebben dan de onderdanen.

   De heersers interpreteren de wereld vanuit het heerser zijn. Zij zijn heersers en zitten daarom wel goed. De manier waarop zij leven zal daarom ook wel goed zijn, anders waren zij geen heersers. Vanuit dit ‘goed’ interpreteren zij gedragingen en bezigheden die zij níet uitvoeren als ‘slecht’, omdat het ‘niet goed’ voor je is. Het handelen van een onderdaan maakt hem niet tot heerser en zijn bezigheden, als onderdaan, zijn dus ‘slecht’. Zelfverzekerde, wellicht egoïstische of machtswellustige gedragingen zijn eerder tekens van competentie en ‘sterk’  of ‘goed’ gedrag.

   De onderdanen interpreteren de wereld vanuit het onderdaan zijn. Zij leven minder ruim, terwijl de heersers wel ruim leven. De onderdanen zouden dit ook willen, maar het lukt hun niet, omdat de heersers graag hun macht behouden. Dit wordt als onderdrukking gezien, waarop het morele oordeel van de onderdanen is dat het gedrag van de heersers ‘kwaad’ is. Het is niet alleen ‘niet goed’ (niet positief in zijn werking) het is zelfs iets wat kwaad de wereld in brengt (negatief in zijn werking). Hiertegenover wordt het eenvoudige en pretentieloze bestaan van de onderdaan gepresenteerd als ‘goed’. Voor het karige leven is een moreel superieure houding aangeleerd als zelfrechtvaardiging voor zijn ongeluk. De onderdaan is volgens hemzelf geen heerser, niet omdat hij het niet kan zijn, maar omdat hij ervoor kíest om het niet te zijn.

 

   Hoewel Nietzsche dit idee veel uitvoeriger beschreef dan ikzelf hier kort kan samenvatten en hij zelf ook wel wist dat de realiteit genuanceerder is dan twee kampen die lijnrecht tegenover elkaar staan, valt er veel te zeggen voor het morele model wat hij schetst. Zijn kritieken zijn met name gericht op de kerk en haar hypicrisie. Nietzsche was berucht om zijn levenslange vete met de filosofie van de kerk. Volgens Nietzsche is de kerk de institutionele bevleeswording van slavenmoraal. Al in de dagen van het Romeinse Rijk wist de kerk voet aan de grond te krijgen bij het voetvolk van het rijk – boeren, slaven, plebs enzovoort – doormiddel van de verheerlijking van hun simpele bestaan. Voor de zuinigen en zelfopofferende was een warme plek in het naleven bestemd. Hedonisme en machtswellustigheid zijn zondige zaken waar je ver weg van moet blijven. Door deze binding met de simpele man, door het gehele rijk, wist de kerk, als instituut, te blijven bestaan, terwijl het topzware Romeinse Rijk viel. Al snel werd duidelijk dat iedere slaaf, wanneer hij zelf gaat heersen, zelf ook volgens het herenmoraal gaat leven – dan wel onbewust –, wat terug te zien is in het decadente leven en de corruptie binnen de kerk, wat tot de reformatie zou leiden.

   In de moderne tijd zie je dat het herenmoraal vaak wordt gerepresenteerd door de regeringen van gevestigde staten, monarchieën en reactionairen. Dit wordt dan tegengesproken door het slavenmoraal in de ‘bottom-up’ en voorhoedebewegingen die vanuit linkse, marxistische of anarchistische scholen ontstonden. Je zag dan ook dat wanneer deze linkse tegenbewegingen aan de macht kwamen, zij zelf zich haast aristocratisch, autocratisch en zelfs reactionair gingen gedragen. Zij gingen zichzelf volgens het herenmoraal gedragen om aan de macht te blijven.

 

Het slavenmoraal zag hij als een moreel excuus om een klein leven te lijden en de uitdaging om jezelf, vanuit jezelf, te laten bloeien niet aan te durven. Het slavenmoraal bied een verlossing van het aardse lijden, waardoor het leven als een tweederangs ervaring wordt afgedaan.

 

   Nietzsche was zelf een tegenstander van zowel het herenmoraal als het slavenmoraal. Hij zag beiden als een imperfect en op conflict gericht moreel systeem. Hij zag duidelijk wel veel meer in het herenmoraal dan het slavenmoraal. Het slavenmoraal zag hij als een moreel excuus om een klein leven te lijden en de uitdaging om jezelf, vanuit jezelf, te laten bloeien niet aan te durven. Het slavenmoraal bied een verlossing van het aardse lijden, waardoor het leven als een tweederangs ervaring wordt afgedaan. Het herenmoraal zag hij weliswaar als een zelfdestructief en decadent stelsel, maar hij had wel grote bewondering voor de levenswil van diegene die volgens dit stelsel leven. De ongetemde omarming van het leven en al haar tegenslagen, weten dat elk succes uiteindelijk vanuit de eigen wil te behalen was.

   Volgens Nietzsche moesten beide morele kampen zichzelf opnieuw uitvinden en een revaluatie van alle morele waarden doorgaan in een gezamenlijke synthese. Of dit haalbaar is op het collectieve niveau wist hij niet, hij werd gek voordat hij zijn poging af kon maken. Maar hij wist dat ieder individu in staat kon zijn om zichzelf door een morele evolutie te laten gaan, zichzelf op psychologisch en filosofisch vlak opnieuw kan uitvinden om sterker in het leven te staan en, wat Nietzsche noemt: de overman worden; een levens beschouwende volgende stap in de ontwikkeling van de mens.

 

   Deze houding, dat je van het leven het meeste maakt wat je kan en je hierbij jezelf niet verliest in het moraal van een slachtoffer, is er eentje waar menig oor over zou mogen horen. Zeker in deze tijd, verkiezingstijd, zie je de hysterie van het opdringen van slachtofferrollen als vast onderdeel van veel partijcampagnes, denktanks en actiegroepen langskomen. En hoewel het een logische strategie voor alle partijen is om je beoogde beleid met enige urgentie te presenteren – en daar zelfs een realistische verklaring voor kan hebben – zie je dat sommige er bijna een sport van weten te maken.

   Zo was ik bij een GroenLinks-meetup in de Melkweg, om even wat van de hype te kunnen proeven. Waarbij achteraf mijn vriendin – zwart, vrouw en slechtziend – door een paar veel te blije aasgieren op de foto werd gezet en ondervraagd werd. De betutteling en de overvloed aan indirect racisme, sexisme en ableisme – om in de stopwoordjes van zulke lui mee te gaan – is toonaangevend voor hun eigen hypocrisie. Door haar er tussenuit te pikken als leuk kiekje voor in de partijperiodieken ben je bewust bezig zieligheid als politiek pressiemiddel te gebruiken. Ondertussen staat zij stoïcijns in het leven en ervaart zij zulke betutteling – terecht – als een belediging.

 

   De inzet op quota’s voor studenten, bestuursfuncties, politici, hoogleraren enzovoorts, is een collectieve belediging voor iedere vrouw, allochtoon en gehandicapte die onder dat beleid welkom is. De gedachte ervan is denigrerend voor zelfs de mensen die er anders tóch wel doorheen kwamen. Je weet immers niet of je uit geforceerde emancipatie of erkenning van kwaliteit bent aangenomen. Emancipatie is een absoluut ideaal, kenmerkend voor de filosofische erfenis van, in ons geval, de westerse wijsgeren die hun polemieken en overpeinzingen voor ons hebben achtergelaten.

   Het is alleen enorm verdrietig om je te bedenken dat dezelfde Bussemaker die de overheidsbemoeienis van het niveau ‘vrouwenquota onder hoogleraren’ uitoefent te bedonderd is om haar hypocrisie in te zien wanneer ze verklaart dat een onderzoek van het KNAW naar politieke objectiviteit een politieke bemoeienis is die vermeden moet worden -  Zoals Jeroen Jumelet betoogde in de NRC van twaalf februari 2017 (link onderaan).

 

   Ik durf zelfs zo ver te gaan als dat ik deezen soort duivelsgebroed durf te vergelijken met duveltjes die, op jacht naar den zwakkeren, in haare ooren fluisteren zal en met zalvende woorden de belofte van eene verlossing maakt, in ruil voor onderdanigheid aan politische gehoorzaamheid aan den ‘linksche anti-kerk’. Om deezen politische hoek te moeten generalischeren.

   Zo ongelovig – haast anti-gelovig – als ik ben, zou ik vrijwillig als prediker naar voren stappen om men over de gevaren van deze sekte te vertellen. Een inquisitie oprichten gaat mij iets te ver. Echter, het is van groot belang dat ‘de zieligen’ – evenals ieder die onderdeel is van het electoraat – zich goed afvragen of ze oprecht geloven en overtuigd zijn van hun stem, of omdat ze hun stem baseren op de punten waarin zij zich gedupeerd voelen. vertrouw in jezelf voordat je in welke vorm van ideologie/politicus dan ook vertrouwd en wees zelfs dán nog skeptisch, met name richting jezelf.

 

 

 

https://www.nrc.nl/nieuws/2017/02/12/wetenschap-herken-je-linkse-vooroordelen-6630967-a1545683

 

(- Een recent uitgebracht onderzoek met empirisch bewijs dat publieke, morele steunbetuigingen en bekommering veelal gebaseerd is op een overtuiging om te moeten compenseren voor de ‘schuld’ die je denkt te dragen. -)

https://link.springer.com/article/10.1007/s11031-017-9601-2


Mediabestanden


0 reacties

Plaats een reactie