NWA Onderzoeksroute Levend Verleden Verkennende expertmeeting 14 juni 2017

Download

NWA-levendverleden-verslag14juni2017.pdf

 

Met experts om tafel

Op 14 juni 2017 worden in de Reinwardt Academie de eerste stappen gezet van de onderzoeksroute Levend Verleden. Experts vanuit heel Nederland, uit zowel de wetenschappelijke sector als de erfgoedsector, komen bijeen om te praten over erfgoed. Alle gesprekken draaien om de centrale vraag ‘wat brengt het verleden in de samenleving en toegepast voor de samenleving?’ Het thema Levend Verleden is een van de 25 onderzoeksroutes van de Nationale Wetenschapsagenda (http://www.wetenschapsagenda.nl). Deze 25 routes hebben als doel om wetenschappelijke, maatschappelijke en economische vraagstukken in de samenleving om te zetten in onderzoekbare thema’s.

 

Het startpunt van deze onderzoeksroute is de expertmeeting op de Reinwardt Academie. De dag diende als verkennende inventarisatie, ter ondersteuning van een verdere ontwikkeling van de onderzoeksroute. Dit rapport is een verslag en inventarisatie van de rijke inzichten en inspirerende cases van de expertsessies en dient als bewegwijzering voor de start van de onderzoeksroute. De intentie is om een gelaagde aanzet te geven, die vanuit de onderzoeksroute verder uitgezet kan worden.

Het thema levend verleden wordt behandeld in het licht van een drietal ontwikkelingen of vraagstukken; de ervaren versnelling van de tijd en daaraan verbonden vraagstukken rond duurzaamheid, de opkomst van citizen science en de veranderende rol van de expert , en de omgang met schuring, meerstemmigheid en het idee van inclusiviteit binnen de erfgoedsector in een pluriforme samenleving. Inzicht in het verleden en de omgang met het verleden zorgen ervoor dat we vraagstukken in een breder (tijds)perspectief kunnen zien, zaken kunnen relativeren en onze eerdere ervaringen kunnen benutten voor huidige en komende opgaven en deze ervaringen kunnen overbrengen aan toekomstige generaties. Deze benadering van erfgoed kiest er dus voor om erfgoed als levend – interpretatief, flexibel, veranderlijk – te beschouwen in plaats van statisch, gevestigd en bepaald. Het verleden is niet dood, het verleden leeft en wordt telkens opnieuw van betekenis voorzien. Met de route Levend Erfgoed wordt ernaar gestreefd om de betekenis van het verleden in en voor een innovatieve samenleving zichtbaar maken via een integrale en participatieve benadering.

 

De verkenning zoekt specifiek naar erfgoed in een breder anti-presentistisch tijdsperspectief, naar alternatieve scenario’s voor de omgang met erfgoed en creatieve oplossingen voor maatschappelijke opgaven. Deze middag dient als opstapje dat leidt naar de verdere opzet van de onderzoeksroute. Uiteindelijk streeft deze route ernaar om nieuwe instrumenten te ontwikkelen die zowel het in kaart brengen van de gecompliceerde omgang met erfgoed ondersteunen als de bijdrage richting de toekomst te vergroten.

Het volle middagprogramma wordt gestart met een inleidende presentatie en casestudie. Hier presenteren Hester Dibbits (Boegbeeld Leven Verleden) en Patricia Alkhoven (Routetrekker LV), een drietal gamechangers; duurzaamheid en temporaliteit in een veranderende samenleving, de burger als expert en betwist (‘contested’) erfgoed.

Als opmaat presenteren Wilma Gijsbers en Judith van der Elst een plan voor een interdisciplinair onderzoeksproject rond de historische handel in ossen. Gijsbers en Van der Elst laten zien hoe digitale visualisaties van gekoppelde data rond concrete historische verschijnselen kunnen bijdragen aan een beter begrip van onze samenleving. De omgang met dieren, veranderende ideeën over voedsel, de relatie met het landschap, culturele uitwisseling: het zijn grote thema’s waar het project Oxen along the digital highway in Europe nieuw licht op kan werpen.

Het tweede onderdeel van de dag bestaat uit rondetafelgesprekken, waarbij elk thema aan een tweetal tafels wordt besproken. Een overzicht van alle deelnemers per tafel is terug te vinden in bijlage 1.

 

‘Duurzaamheid en erfgoed’, de eerste gamechanger, gaat niet over carbon footprints, maar gaat over een toekomstgerichte omgang met materiële en immateriële overblijfselen uit het verleden. Duurzaamheid van kennis is niet enkel een cultureel fenomeen, maar kent ook een economische component. Denk bijvoorbeeld aan het verdwijnen van bepaalde ambachten, omdat de ambachten geen economische relevantie meer hebben. Daarnaast is er ook duurzaamheid van het digitale, hoe kunnen organisatiestructuren in digitaal erfgoed gereguleerd worden? Aan tafel een en twee worden duurzaamheid en temporaliteit besproken aan de hand van een reeks thema’s; omgang met historisch gegroeide verzamelingen, langetermijnperspectief door digitalisering, hergebruik data en objecten en het belang van behoud van kennis. Deze verslagen zijn te vinden in hoofdstuk een en twee van dit rapport.

 

De burger als expert, de tweede gamechanger, wordt gerelateerd aan de relatie tussen burger en professional, het publieke debat, embodied knowledge en het versmelten van de rol van producent en consument. Embodied knowledge wordt gedefinieerd als ‘ervaring als kennis’. Hoe kunnen we dit soort kennis waarderen? En wat betekent dit voor de professional? Wie draagt verantwoordelijkheid, hoe verenigen we kennisbronnen? Hoe kunnen we deze kennis inzetten voor big data; geschiedenis als toegankelijke ‘bron’ om patronen, trends en ontwikkelingen voor de toekomst mee te meten? Daarnaast is er een merkbare verandering van crowd-sourcing naar het meer lokaal geënte citizen science, waarbij burgers via lokale initiatieven en digitale platforms bijdragen aan de beschikbare kennis van het verleden. Wat betekenen dit soort ontwikkelingen voor emancipatie en democratisering? En hoe trekken we dit door naar de toekomst? De bespreking van deze topics is terug te vinden in hoofdstuk drie en vier.

 

De laatste gamechanger ‘betwist erfgoed’, wordt besproken aan tafel vijf en deel zes. Topics die worden uitgelicht zijn de diversiteit in omgang met het verleden, meerstemmigheid, polarisering, politisering en logischerwijs: conflict. Hoe kunnen we vanuit de vaak emotioneel geladen processen en claims die regelmatig met moeilijk erfgoed gepaard gaan, komen tot het overbruggen van culturele verschillen? Historisch besef is belangrijk, maar welke didactische en educatieve instrumenten kunnen hiervoor worden ingezet? Hoe maken we duidelijk dat erfgoed een tijdelijk en divers construct van betekenisgeving in een sociaal proces is, in plaats van een statisch product? Wat als erfgoedgrenzen of definities conflicteren? De schreeuw om transparantie raakt ook het academisch onderzoek, dat evenzogoed niet in isolement plaats kan vinden. In hoofdstuk vijf en zes wordt deze gamechanger besproken

Ieder hoofdstuk kent een andere opbouw. Sommige expertsessies zijn gebaseerd op meerdere praktijkvoorbeelden, andere zijn dieper ingegaan op een selectie. Elk hoofdstuk sluit af met een reeks vragen die vanuit de discussie naar boven zijn gekomen. Deze omvatten, kernachtige vragen van waaruit gewerkt kan worden.

 

1     Temporaliteit en duurzaamheid

Dit tafelgesprek onder leiding van tafelvoorzitter Patricia Alkhoven (Meertens Instituut (KNAW)) richtte zich voornamelijk op de digitale kant van het thema temporaliteit en duurzaamheid. De materiële kant van dit debat wordt behandeld in hoofdstuk 2.

Het gesprek begon met een korte voorstelronde. Hierbij kregen de aanwezigen de mogelijkheid om zichzelf kort te introduceren en iets over hun projecten te vertellen. Het was bij deze voorstelronde de bedoeling dat er voornamelijk werd geïnventariseerd; er werd nog niet gezocht naar concrete samenwerkingsverbanden en/of nieuwe projecten.

Al snel werd het duidelijk dat er veel raakvlakken waren tussen de verschillende gespreksdeelnemers. Thema’s als hergebruik en complexiteit werden tijdens de voorstelronde enthousiast besproken.

Na de introductieronde begon het daadwerkelijke tafelgesprek. Ilona von Stein (DANS), vertelde hoe data het best geschikt kunnen worden gemaakt voor hergebruik. Hierbij vertelde zij dat DANS zich bezighoudt met de volgende principes: findable, accessible, interoperable en re-usable. Deze principes zijn van toepassing op alle data.

Er wordt door meerdere gespreksdeelnemers opgemerkt dat het belangrijk is om na te denken over een nuttige digitale erfgoedstructuur, zodat de geschiedenis van digitale publicaties niet verloren gaat. Toch is dit een mogelijk probleem, omdat het behouden van data veel tijd en geld kost; men is vaak afhankelijk van subsidie. Wanneer deze subsidie wordt stopgezet, stort deze digitale erfgoedstructuur vaak ineen en worden publicaties niet langer effectief bijgehouden. Hoewel er ondanks deze problemen wordt gepoogd om de erfgoedstructuur te borgen, gaat dit tot op heden nog niet erg gemakkelijk.

Een ander belangrijk onderwerp dat tijdens het gesprek werd aangekaart, is het belang van het bijhouden van digitaal erfgoed. Het is belangrijk dat er, indien er aanpassingen in digitaal erfgoed worden aangebracht, een uitgebreide bewerkingsgeschiedenis wordt bijgehouden. Judith van der Elst (As the Crow) vertelde dat er binnen de geografie vaak automatisch metadata wordt gecreëerd bij aanpassingen. Bij hergebruik blijft de transformatie aan de dataset gelinkt. Op deze manier worden de wijzigingen zichtbaar en wordt de digitale dynamiek in beeld gebracht. Dit zou ook bij andere systemen kunnen worden gebruikt. Toch blijft het een enorme opgave voor veel instellingen om dit soort taken uit te voeren.

Wim Hupperetz (Allard Pierson Museum) vond het van groot belang dat musea en wetenschappers de complexiteit en dynamiek van erfgoed adresseren. Hoewel de kijk op erfgoed vaak gekoppeld is aan een referentiekader en/of politieke ideologie, moeten professionals oog hebben voor de verschillende visies op het erfgoed en niet slechts vastzitten in bepaald idee van een statisch verleden. Het is belangrijk dat zij reflecteren op het verleden, maar ook zeker naar het heden en de toekomst kijken.

Musea worden nog steeds gezien als een autoriteit, terwijl zij vaak slechts één narratief bieden. Daarom is het ook erg belangrijk dat zij transparant blijven over de informatie die zij mogelijk niet hebben. Het is daarom nodig dat musea openstaan voor nieuwe paradigma’s, die rekening houden met de dynamiek van digitaal erfgoed en de ingewikkelde rol van digitaal eigenaarschap binnen deze wereld. Dankzij verouderde paradigma’s gaat er helaas veel content verloren, omdat er geen duidelijkheid bestaat omtrent het digitale eigenaarschap. Het is daarom nodig dat hier iets aan gedaan wordt.

Om ervoor te zorgen dat er minder data verloren gaat, moeten musea vanaf heden duurzamer gebruik gaan maken van content. Erfgoedinstellingen creëeren veel content, zoals applicaties en digitale publicaties, maar gooien een groot deel hiervan na een korte periode van gebruik weg. Een reden hiervoor is dat men tegenwoordig nog weinig grip heeft op de enorme hoeveelheid content, en in veel gevallen nog niet weet hoe deze content op een effectieve en duurzame manier kan worden opgeslagen: een bestand moet immers over tien jaar nog steeds bruikbaar zijn. Het is daarom erg belangrijk dat er wordt gezocht naar bruikbare ‘bouwstenen’, die gebruikt kunnen worden om dit probleem op te lossen. Ook is het nodig om de bewaarplicht te herdefiniëren binnen een veranderlijke, digitale omgeving.

Wanneer er geen ondersteuning is om op een gewenste manier digitale data te behouden, kan er worden gezocht naar alternatieven. Zo zouden gegevens eventueel kunnen worden opgeslagen in een Google-achtige zoekmachine, zodat deze alsnog beschikbaar zijn en geanalyseerd kunnen worden. Duurzaamheid van expertise en het behoud van kennis zijn hierbij van essentieel belang.

Wanneer content verloren gaat, is het belangrijk dat er manieren worden gevonden om deze missende informatie uit te beelden. Zo werd er bijvoorbeeld besproken hoe ontbrekende gegevens het beste kunnen worden gevisualiseerd in een 3D-model. Dit kan onder andere gedaan worden door het in kleur weergeven van de ontbrekende delen.

Binnen het proces van digitalisering dient ook de vraag worden gesteld welke aspecten van het erfgoed belangrijk zijn om te behouden. Marco de Niet (DEN Kennisinstituut Digitale Cultuur) vertelde hierover dat er binnen de wereld van de game-archivering een mogelijk probleem is ontstaan: wil men de game zelf bewaren, of is men meer geïnteresseerd in de ervaring die gamers hadden toen zij het spel voor het eerst speelden? De daadwerkelijke data is hierbij dus minder belangrijk dan de ervaring die de gamer destijds had. Binnen de digitale wereld gaat het dan ook vaak meer over het object als middel dan het object als doel.

Dit soort vragen zorgen voor een behoefte aan nieuwe paradigma’s, waarbij er niet langer wordt gepoogd om nieuw digitaal erfgoed op een traditionele manier te behandelen. Het is noodzakelijk dat er wordt gekeken naar wat voor nieuwe rechten er aansluiten op een modernere manier van het behandelen van digitaal erfgoed.

Aan het einde van het gesprek werden er een aantal belangrijke vragen op een flipover geschreven, die later in de aula besproken werden.

Deze vragen waren:

-Hoe creëren we erfgoedsemiotiek?

-Hoe verwerken we waardetoevoeging?

-Welke kennis is nodig om deze complexiteit en dynamiek te visualiseren?

-Wat moeten we bewaren/vastleggen?

-Hoe organiseren we dat het eigenaarschap goed wordt vastgelegd?

-Hoe zorgen we dat hergebruik mogelijk wordt?

-Hoe zorgen we in dit dynamische proces voor behoud van kennis?

DSCN1681.JPG
 

2     Temporaliteit en duurzaamheid

Het gesprek begint met een korte introductie van de tafelvoorzitter Ysbrand Hummelen. Hij vraagt de deelnemers om zichzelf voor te stellen en een of twee projecten waar zij momenteel aan werken te beschrijven. Hiermee kunnen aan het einde van het gesprek overlappingen, overkoepelende vragen en rode draden rondom het thema duurzaamheid en temporaliteit gekoppeld worden. Iedereen is momenteel met zijn eigen kleine postzegel(project) bezig. De diverse n de verhalen kunnen de hoofdlijnen voortbrengen om het doel te bereiken van deze sessie. Dit doel is gezamenlijk besproken en als volgt geformuleerd: binnen de grote lijnen verbanden zien waardoor wij gezamenlijk mensen kunnen inspireren of laten samen werken.

 

Ysbrand Hummelen (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)
Ysbrand doet onderzoek naar historische technieken in relatie tot reconstructie. Bij restaureren moet je weten wat de huidige evenals de historische context is. Het reproduceren van een object is hier een onderdeel van. Hoe documenteer je en wat is de invloed van de documentatie ten opzichte van de materiële praktijken zowel nu als in het verleden? Maaike Roozenburg maakt Smart Replica’s van archeologische voorwerpen die zij in live labs in museums gebruikt. Bij gereproduceerde wijnglazen, of bekers, laat zij zien hoe deze gebruikt werden. Deze replica’s zijn wetenschappelijke replica’s. Het gaat om het definiëren van dat wat een goede reproductie is. Het project kijkt naar de strategie en de methodiek hierachter.

Pauline van Roosmalen ( Vrije universiteit Amsterdam)
Pauline is een architectuurhistoricus gespecialiseerd in koloniale en postkoloniale architectuur in Nederlands-Indië. Aan de TU heeft zij een digitale repository ontworpen over de postkoloniale gebouwen in dit gebied. De database hierachter is groot en bevat foto’s, namen, kaarten en dergelijke. De bedoeling is dat andere onderzoekers in bijvoorbeeld voormalig Nederlands-Indië hier informatie uit kunnen halen. Het verwerken van de informatie in een database stelt deze open voor een groter publiek. Deze vorm van informatieverzameling faciliteert gemakkelijk het internationaal gebruik van data.

Marion Poortvliet (Stichting Crafts Council Nederland)
Bij Stichting Crafts Council is Marion samen met collega’s bezig om crafts weer op de kaart te zetten. Deze zijn in Nederland grotendeels van de kaart verdwenen of vergeten. Er is gekeken in Nederland wie er nog kennis heeft van oude ambachten. Deze zijn geprobeerd over te zetten naar behapbare kennis voor een nieuwe generatie. Overdracht en educatie en het zoeken naar kennis zijn hier belangrijke elementen in. Beeldvorming van de huidige tijd eveneens, zodat de nieuwe toepassingen passen binnen ons tijdskader. Vanuit het project is een vraag naar voren gekomen: hoe kan het digitale als duurzaam middel ingezet worden om de doelen, kennis behoud en overdracht te bereiken?
Vivian van Saaze (Universiteit van Maastricht)
Vivian werkt bij een multidisciplinair bureau dat is opgericht vanuit de constatering dat erfgoedvraagstukken steeds complexer worden en niet meer vanuit een discipline te beantwoorden zijn. Onder andere de faculteiten recht en economie werken mee aan diverse erfgoedvraagstukken. Er zijn meerdere projecten die vanuit de digitalisering en de daaraan gekoppelde vraagstukken interessant zijn voor deze sessie 1: participatie, als objecten zijn gedigitaliseerd wat ga je hier dan mee doen, 2: ethische vraagstukken, wat zijn verantwoordingen achter digitaliseren (juridische aspecten) en 3: wat zijn belangrijke elementen bij conservering van hedendaagse kunst.

Leonard Rutgers (Universiteit Utrecht)
Leonard werkt aan een groot digitaliseringsproject om de joodse diaspora in beeld te brengen. Het gaat om een bottom-up onderzoek naar migratiepatronen waarvan onder andere de informatie van grafstenen en uitgehakte inscripties bij wordt gebruikt. Het doel van de digitalisering is om voor wetenschappers een nuttige tool te ontwikkelen en verschillende lagen en vormen van informatie te koppelen. Vragen over de praktische uitvoerbaarheid hiervan hangen nog steeds in de lucht. Een van de problemen is bijvoorbeeld de grote variatie in talen, hoe zorg je dat deze informatie te gebruiken is voor iedereen? De digitalisering van de verschillende informatielagen kan helpen om specifieke patronen te achterhalen en naar boven te brengen. Hoe en welke informatie je labelt en categoriseert is eveneens nog een vraag.

Sophie Elpers (Onderzoeker Meertens Instituut)
Sophie houdt zich vooral bezig met materiële alledaagse cultuur. Zij werkt aan een project over de invoering van waterleidingen en omgang hiermee tot aan het heden, met de vraag hoe is de beschikbaarheid van drinkwater gelinkt aan ‘Nederlandsheid’. Sophie zit met een andere pet op bij deze groep, namelijk vanuit het Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed. Hier is zij eveneens werkzaam als onderzoeker. Het kenniscentrum is verantwoordelijk voor de implementatie van het Immaterieel Erfgoedverdrag van UNESCO. Zij zorgen er voor dat het verdrag wordt nageleefd, belangrijk hierbij is dat de totstandkoming van immaterieel erfgoed en het behouden hiervan vanuit de gemeenschap en gebruikers zelf komt. Vragen die bij het kenniscentrum spelen zijn: wat is de verhouding tussen het materiële en het immateriële erfgoed (het een heeft het ander nodig) hoe kunnen professionals er aan bijdragen dat materieel en immaterieel samengebracht kunnen worden en welke participatieve bottum-up technieken kunnen hier aan bijdragen?
Boudewijn Goudswaard (
The Missing Link)
Boudewijn is historicus en gespecialiseerd in het naar voren brengen en tonen van de geschiedenis in de openbare ruimte. Wij beschouwen een leefomgeving als erfgoed, de scheiding tussen materieel en immaterieel is hierin niet belangrijk. Het verhaal van de plek is te koppelen aan de opgave of vraagstelling en ontwikkeling van een plek. Een voorbeeld hiervan zijn de ontwikkelperspectieven zoals de Rotte. Ondernemers wilden iets ontwikkelen maar er was geen gezamenlijk verhaal bij de rivier, het verbindend element miste. Je kunt de panden langs de rivier restaureren, maar als hier geen verhaal bij is dan leidt dit tot niets. Digitale elementen kunnen hierbij helpen om het verleden een gezicht te geven. Je kunt inzichtelijk maken met bijvoorbeeld VR(virtual reality) hoe de plek er 150 jaar geleden tot aan de aan de toekomst uit heeft gezien. Het verder ontwikkelen van deze techniek met andere disciplines hierbij zoals toerisme kan geperfectioneerd worden. De groep vraagt of hier een bredere onderzoeksvraag in terug te vinden is? In de praktijk wel op wetenschappelijk niveau minder. Wat je als vraag altijd terug ziet komen is, voor wie doe je het en wie is je eindgebruiker?
Sanneke Stichter ( Universiteit van Amsterdam)
Is gepromoveerd op de conservering van Moderne en conceptuele kunst. Recentelijk is er een onderzoekspilot gehonoreerd. In dit project wordt gewerkt en onderzoek gedaan naar een database van conceptuele kunst. Het onderzoek baseert zich op de bewustwording over het gebruik van deze database en iemands rol in de verandering van de biografie van het object en de technologie hier om heen. Hiervoor wordt een tool ontwikkeld die helpt om kritisch te kijken en te reflecteren bij de omgang met de database. Als voorbeeld wordt gegeven: een radio met draaiknop. Tijdens een performance kan de draaiknop naar verschillende standen gezet worden. Bij een performance of een handeling die plaatsvindt, kan er iets veranderen aan het werk hiermee verander je uiteindelijk de context van het werk. Je moet een gebruiker bewust maken over de biografie van deze veranderingen en verschillende contexten bij conceptuele kunst. Dit leven van een werk moet inzichtelijk worden voor volgende generaties.

Na de voorstelronde is er besproken en bediscussieerd welke overkoepelende vragen, belangen en rode lijnen naar voren komen na het aanhoren van de diverse verhalen en projecten. Het bleek lastig om dit binnen de gestelde tijd gestructureerd naar voren te brengen. De projecten en werkvelden zijn divers. Uit de diverse verhalen en projecten konden de volgende overkoepelende thema’s en vraagstukken naar voren gebracht worden. Deze lijst is zeker niet uitputtend en zou met meer tijd verscherpt en uitgebreider gemaakt kunnen worden.

 

Het eerste punt waar overkoepeling gevonden is, is het onderwerp migratie. Het uitwisselen van ideeën en het letterlijk uitwisselen van mensen en wat dit cultureel te weeg brengt is te zien bij een aantal projecten. Hierin wordt als vraag gesteld hoe onderzoek je dit en hoe breng je hier de nuances in aan?

Het tweede punt gekoppeld aan het onderzoeken van migratie uitwisseling is microgeschiedenis: iedereen gebruikt dit in zijn of haar onderzoeken. Culturele herinneringen zijn heel beperkt, hoe behoud je deze kennis hiervan in een langere tijdslengte.

Een derde punt is het overbrengen van onderzoeksresultaten op doelgroepen. Hoe krijg ik al de onderzochte verhalen uit het verleden het beste naar buiten. Het onderzoek van de tafel deelnemers wordt grotendeels voor zichzelf als onderzoeker of op projectmatige basis gedaan. De vraag is hoe breng je dit naar buiten en hoe creëer je een experience of beleving bij de gebruiker hiervan.

Een andere vraag hierbij is op welke manier kunnen wij de databases goed in de samenleving introduceren? Wij structureren de geschiedenis, maar wat doe je hier vervolgens mee.

Niet alleen het onderzoek naar de geschiedenis is belangrijk maar ook hoe deze en de interpretatie hiervan tot stand is gekomen. De vraag is eveneens hoe kun je dit overgedragen aan de ‘’gewone mens’’ en op welke manier en met welke (digitale) middelen.

De vraag wordt gesteld of überhaupt een productie voor de ‘’gewone mens’’ wetenschappelijk verantwoord is? De consensus hier in is dat wetenschappelijke verantwoording hier weinig mee te maken heeft. Het gaat meer om het maatschappelijk belang en de validatie van jouw onderzoek. Het uiteindelijke gebruiksproduct dat uit het onderzoek naar voren komt wordt vaak niet als wetenschappelijke publicatie gezien. Dit is misschien achterhaald omdat ieder onderzoek een maatschappelijk belang moet meedragen. Hierin loopt de universitaire of wetenschappelijke wereld nog achter. De wetenschappelijke wereld moet zich bekend gaan maken met de nieuwe media die er zijn.

Ieder vakgebied in de samenleving is altijd historisch geënt, iedereen gebruikt historie op zijn eigen manier en niet altijd professioneel. Iedereen gaat terug in de tijd om informatie te achterhalen. Wij zijn als historici en erfgoedspecialisten niet in staat geweest om het nadenken over deze geschiedenis te enten en breed in de samenleving uit te zetten. Wij moeten kijken op welke manier wij erfgoedstudies en historische studies geïntegreerd in andere maatschappelijke vraagstukken of kwesties krijgen, hierdoor word je op meerdere vlakken relevant.

Het laatste besproken punt is de vraag, wat is valorisatie en wat zijn de criteria hierbij? Er zijn verschillende definities hiervan, het kan interessant zijn om vanuit deze brede kijk dit terug te brengen naar een kader voor erfgoed. Hier zou een rol kunnen liggen voor ons om dit vast te stellen.

 

Afsluitend werd gesteld dat iedereen het een interessant gesprek vond, waarbij meer tijd een nog grotere verdiepingsslag zou kunnen aanbrengen. Als positief werd ervaren om kennis te maken met ieders projecten zodat men in de toekomst mogelijk kan aanhaken en van elkaar kan leren. Het vooraf gestelde doel, het binnen de grote lijnen verbanden zien waardoor wij gezamenlijk mensen kunnen inspireren of laten samen werken, is hiermee zeker behaald.

 

3     De burger als expert

Na de voorstelronde concludeerde de voorzitter, Johan Oomen (Beeld en Geluid), dat er drie erfgoedprofessionals waren met een project waar de groep dieper op in wilden gaan binnen de expertmeeting. Aan de hand van deze projecten hebben alle erfgoedprofessionals het thema de burger als expert behandeld.

Het eerste project dat behandeld werd kwam vanuit de stichting A’dam Net en werd gepresenteerd door Ivo Zandhuis. A’dam Net heeft een beginnend project over het in kaart brengen van het verleden van Amsterdam, welke als grootste uitdaging heeft goede data te winnen. Voor het beschikbaar maken van de databases heeft de stichting veel vrijwilligers nodig. Tijdens de expertmeeting werden veel vragen gesteld waar men daarna ideeën over belichtte. Zoals, hoe krijg je toegang tot vrijwilligers en hoe stimuleer je burgerparticipatie? Kan men na het aflopen van een project deze community nogmaals inzetten voor een ander project?

Als terugkoppeling aan het thema de burger als expert werd er gekeken naar hoe een instelling de burger of, in deze casus, de vrijwilligers ziet. De groep belichtte hierbij twee soorten vrijwilligers waarbij de ene vrijwilliger iets doet waar de instelling behoefte aan heeft en hiervoor gepamperd wordt. De andere vrijwilliger kan zelf initiatieven nemen en kan kijken hoe zijn of haar eigen behoefte vervuld kan worden. Er werd gekeken naar wat en hoe de instelling iets kan teruggeven aan de vrijwilligers en hoe een instelling burgers kan motiveren tot participatie. Aan de hand van het project werd vernomen dat het grotendeels zal participeren door interesse in de omgeving waar ze wonen.

 

De groep ging verder met de vraag: hoe identificeren we het gebruik van data aan het begin van een project gericht op publieksparticipatie? Al snel concludeerde de groep dat bij de meeste projecten het de experts zijn die praten over de belangen van de burgers. Hierbij werd belicht dat bijvoorbeeld de wederkerigheid in een samenwerking met vrijwilligers vroeg in een project moet worden ingebouwd. Het is moeilijk voor een individuele burger een initiatief te nemen binnen het erfgoedterrein. Maar doordat zij in vele gevallen wel het publiek zijn voor de data is het van belang om hen er vroeg bij te betrekken. Hierdoor creëert het publiek relevantie voor de data.

Er werd besproken wat voor data men kan winnen en beschikbaar kan stellen in een database. In deze cases wordt er vooral veel persoonlijke data gewonnen door bijvoorbeeld burgerparticipatie, hierop werd gevraagd of burgerparticipatie niet vooral “alternative truth” oplevert? Er ontstond een debat over de speling tussen academische waarheid en sociale constructies van interpretatie van de community. De groep concludeerde dat het voor sommige projecten van belang is de data te kunnen toetsen en in andere projecten van belang is meerdere verhalen van burgers naast elkaar te leggen om een algemene waarheid te vinden.

Dit werd gebruikt als een brug om over het tweede project te beginnen, Oral History een project dat Saskia Moerbeek mee bracht naar de expertmeeting om te bespreken. Het project belicht zowel de academische waarheden als maatschappelijke thema’s vanuit de burgers om deze in verband met elkaar te brengen.

Gelinkt aan het thema de burger als expert legde Moerbeek het proces uit hoe zij burgers interviewt om hier relevante data te winnen. Vanuit de groep werd gevraagd of deze data gebruikt wordt om een perspectief te krijgen op een maatschappelijk thema of om context te bieden voor het gehele project. Het antwoord hierop was dat het aan het type project ligt, als men onderzoek doet naar levensverhalen is dat de bron en als men een onderzoek doet naar een specifieke gebeurtenis zijn de interviews een bijzaak om de gebeurtenis in kaart te brengen.

Tijd helpt mensen om over de gebeurtenis te laten praten. Naarmate er minder overlevenden van de gebeurtenis zijn, willen mensen ook er meer over delen, door de urgentie.

Het gesprek week vanuit hier naar een volgend onderwerp over hoe men herinneringen organiseert. Er werd belicht dat bijvoorbeeld het vertellen van een eigen levensverhaal bepalend is aan het moment waarop het verteld wordt.

Roel nam het project zuinig met oude huizen mee, een consortium gericht op het verduurzamen van oude huizen. Hiervoor is er een buurt gekozen en er wordt opgemerkt er een wijk in deze buurt zelf creatieve initiatieven neemt om kennis over het verduurzamen te delen. Een wijk ernaast wou hetzelfde proberen maar door niet hun eigen privéinformatie te delen behaalden ze niet hetzelfde eindresultaat. Dit wordt tijdens het gesprek gelinkt aan sociaal kapitaal. De onderdelen zijn gericht op de individu en niet op het collectief, waarbij de eerdere wijk juist zijn kracht en creativiteit bereikte door te bewegen als een collectief.

Het project wil zicht krijgen op hoe het in de buurt is gegroeid en wat de patronen zijn binnen de burgers van deze wijk. Hierdoor hebben ze gemerkt dat mensen mee doen wanneer de wederkerigheid reciprook is.

De vragen die de voorzitter en secretaris hebben opgesteld ter reflectie van het gesprek waren:

  • Levert burgerparticipatie niet vooral “alternative truth” op?
  • Wat is het gemeenschappelijke belang van burger en culturele instellingen bij samenwerkingsprojecten?
  • Hoe worden herinneringen georganiseerd?
  • Wat is de impact van “burger als expert” op de positie van erfgoed professionals?
  • Hoe identificeren we het gebruik van data aan het begin van een project gericht op publieksparticipatie?

  

4     De burger als expert

De meeting wordt geopend onder leiding van Carla Hoekendijk met een voorstelronde waar iedereen kort iets verteld over zijn/haar werkzaamheden en huidige projecten. Meermaals valt het woord activisme. Peter Veer noemt zijn rol in het pleiten voor een leerbaar, openbaar en groen Rotterdam. Riemer Knoop vertelt een kort verhaal over zijn rol als voorzitter en woordvoerder van de buurt rondom het Museumplein. De vraag ontstaat hoe burgers eigenlijk betrokken moeten worden bij bepaalde processen. Catherine Visser benadrukt het belang van deze vraag omdat burgers ook veel kennis hebben. Er wordt genuanceerd dat er vaak niet maar één stem komt vanuit een groep burgers, er moet dus ook rekening worden gehouden met de diversiteit van een beweging. Er zijn meerdere voorstanders voor het voorstel om burgers vanaf het begin van een proces te betrekken. Coen van Galen brengt in dat er wel duidelijke kaders moeten worden gesteld. Hij schetst een voorbeeld van een situatie in Brabant waar een AZC werd geopend. De gemeente stelde duidelijk dat de vluchtelingen er hoe dan ook zouden komen en wilde binnen die kaders met de omwonende kijken naar de mogelijkheden. Coen van Galen krijgt bijval van Sylvia Fennis, die aangeeft dat voor een dergelijk proces een andere werkwijze nodig is. Dergelijke thema’s zijn bekend bij de overheid, hoewel Michael Braam aangeeft dat dit soort projecten lastig te coördineren zijn. Een open vraag stellen is moeilijk en burgers zijn doorgaans niet in grote mate betrokken bij veranderingsprocessen. Dit wordt weerlegd door Catherine Visser die vanuit haar ervaring ziet dat de overheid vaak niet leidend is in dergelijke processen maar de meeste ideeën en energie vanuit de gemeenschap komen. Menno vult aan dat het daarom belangrijk is om het eigenaarschap bij de direct betrokkenen te houden.

Gijs Kell brengt het inzicht dat er in het werkveld drie stromingen zijn; erfgoed, wetenschap en burger. Er wordt verband gezien tussen deze drie stromingen, ook omdat bijvoorbeeld burgers met hun expertise wetenschapper kunnen zijn. De vraagt blijft bestaan hoe de burger dan bij een wetenschappelijk proces wordt betrokken. Sylvia Fennis geeft een voorbeeld waarmee ze duidt dat het juist belangrijk is om een project met goede kaders te starten. Een aanvulling is dat er een grote hoeveelheid tijd nodig is om een dergelijk proces met burgerparticipatie te laten slagen. Dit wordt door alle deelnemers beaamd. De meeting wordt afgesloten met het samenvatten van de vergadering in een aantal kernwoorden. Er wordt gezegd dat de burger, expert en activist vaak dezelfde persoon zijn. Tevens wordt juist het expliciteren van maatschappelijke kennis gezien als zin- en waardevolle taak van de wetenschap. Ook wordt de tweedeling tussen experts en burgers afgeschreven. De factor tijd wordt als laatste belangrijk element benoemd voor het creëren van participatieve projecten.

Wat is het gemeenschappelijke belang van burger en culturele instellingen bij samenwerkingsprojecten?

  

5     Betwist erfgoed

Deze tafel werd geleid door Hester Dibbits , Reinwardt Academy/AHK. Ook hier een voorstelronde, gevolgd door een gesprek over gedeelde interessen en onderzoeksvragen.

 

Erik de Jager van Stichting reis van de razzia vertelde over het verhalenproject Reis van de Razzia is gebaseerd op 76 in 2012-2014 gefilmde getuigenissen van mannen die de razzia van Rotterdam en de daaropvolgende reis hebben meegemaakt. De mannen waren indertijd, eind 1944, tussen de 17 en 21 jaar oud. De bredere onderzoeksvraag was wat de handelingsruimte van een individu was in een samenleving onder druk. Projecten waarbij deze onderzoeksvraag wordt uitgebreid worden zeer gewaardeerd.

Deels in het verlengde van De reis van de razzia werkt De Jager momenteel aan de ontwikkeling van projecten die gaan over collectieve actie.

Belang van deze organisatie en haar projecten is dat alle informatie die zij verzamelen, ontwikkelen en alle essays die zij schrijven worden gedeponeerd bij het digitaal archief DANS. Doel: laten zien waar wij staan ten opzichte van het onderwerp hoe het verteld werd en hoe het verteld kan gaan worden.

 

Frank von Meijenfeldt van Stichting bevordering maatschappelijk participatie

vertelt over het oral history project Ongekend Bijzonder, waarbij 248 levensverhalen van vluchtelingen zijn verzameld en aangeboden aan stads archieven. Dit initiatief is genomen omdat het vrijwel onbekend is hoe mensen hun weg vinden binnen onze maatschappij, steden. Deze verhalen zijn nauwelijks terug te vinden in onze archieven, een verhaal is niet voldoende er moeten meer verhalen worden verzameld om een beter beleid te kunnen voeren. De vraag die bij dit project naar voren komt: Hoe zou je de oral history als methodiek, ook vanuit de wetenschap beter kunnen inzetten? Hoe kun je deze verhalen verbinden? De organisatie is bezig met een haalbaarheidsonderzoek naar een oral history centrum, om wetenschap en erfgoed met elkaar te verbinden via een digitale portal.

 

Aart Oxenaar is directeur Monumenten en Archeologie van de Gemeente Amsterdam.

Gedeeld erfgoed is een belangrijk thema binnen het Bureau Monumenten en Archeologie Daarbij wordt in het bijzonder gekeken naar ‘The inclusive city’: bij het vertellen van je verhaal als stad is het belangrijk dat dit een inclusief verhaal is.

Oxenaar vertelt over het project Werelderfgoed podium, waar vanuit het idee van OUV (outstanding universal value) het verhaal van de Amsterdamse grachtengordel als werelderfgoed wordt verteld. Het thema van de inclusieve stad speelt bij de verdere ontwikkeling van het podium een belangrijke rol: je moet het verhaal in de openbare ruimte zo vertellen dat ook alle verhalen van de stad worden mee verteld.

De vraag die Oxenaar ter tafel brengt is hoe het standaard OUV verhaal is, en hoe je het inclusiever kunt maken. Hoe vertel je over de zwarte kanten van de Nederlandse geschiedenis, hoe neem je dat soort verhalen mee, wat voor terminologie gebruik je daarbij, hoe kom je weg van het beeld “dat is een zwarte pagina uit de Nederlandse geschiedenis” en “dit is het verhaal van de slavernij”, hoe zorg je ervoor dat verschillende groepen en individuen, het ook als hun verhaal zien en zich vertegenwoordigd voelen in het verhaal dat wordt verteld.

 

Amanda Pinatih, Crafts Council Nederland vertelt over de ontwikkeling van ‘Crafts Map’: een map waarin “het beste van mensen en musea” verzameld is. Probleem: Op dit moment is deze Crafts Map nog helemaal niet divers, deze bevat voornamelijk Nederlandse crafts van mensen met een Nederlandse achtergrond. Vraag is dus: Hoe kunnen we ervoor zorgen dat de crafts map meer divers is, hoe kunnen wij een bredere doelgroep bereiken dan alleen Nederlandse vakmensen. Nu gaat dit via via, iedereen wordt bezocht en beoordeeld op verschillende punten van creativiteit. Crafts Council Nederland is op zoek naar andere manieren waarop deze overdracht kan plaatsvinden.

 

Hans van Keulen, Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, is conservator uitvoerende kunsten. Van Keulen komt vooral om te luisteren. Bijzondere Collecties kan en wil graag onderzoek faciliteren. Onderdeel van het verzamelgebied uitvoerende kunsten is de collectie van het Theater Instituut Nederland (TIN). Deze collectie bevat meer dan een miljoen objecten waaronder ruim 10.000 toneelregistraties. Zelf is hij op dit moment bezig met het project Queering the collection. Het gaat daarbij niet alleen om gender diversiteit, maar ook om etnische diversiteit in de collecties. Oral history wordt weinig gebruikt, het is eenvoudigweg te tijdrovend - het gaat hier namelijk om een zeer omvangrijke collectie. Van Keulen bedoelt te zeggen, wij hebben een divers en breed aanbod aan materiaal, kom bij ons, wij bieden bij deze onze diensten aan.

Rabiaâ Benlahbib, CHECK van Creative Court in Den Haag is een non profit organisatie die kunstprojecten ontwikkelt, deze kunstprojecten reflecteren op vrede, recht, conflict en ellende vanuit een menselijk perspectief . Dit is vanuit de overtuiging die zij hebben dat empathie en reflectie cruciale eigenschappen zijn om te blijven ontwikkelen om vreedzaam met elkaar te kunnen samenleven. Het perspectief is internationaal en het begrip conflict wordt door hen breed geïnterpreteerd in de zin van de verstoring van harmonie in heden, verleden en toekomst. Vanuit een grote gevoeligheid voor wat ingewikkeld zou kunnen zijn of worden ervaren zijn zij in gesprek met o.a. musea en producenten die iets willen doen met dit onderwerp. De organisatie hoopt met haar expertise te kunnen bijdragen aan de route Levend Verleden en de projecten die in het kader van de route worden opgezet.

Het belang om de verhalen van verschillende partijen in beeld te krijgen is bij de projecten van Creative Court van groot belang. Hierbij wordt er minder gefocused op slachtoffer/dader rollen en wordt er meer gekeken naar de mens. Uitdagingen zijn het weergeven van de complexiteit van de verhalen en het laten zien van verschillende waarheden.

 

Albert van der Zeijden is werkzaam bij KIEN, het Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed Nederland. Dit kenniscentrum zet zich in, zo licht Van der Zeijden toe, voor de bescherming van immaterieel erfgoed in Nederland. Daarnaast werkt Van der Zeijden bij de Universiteit Utrecht, als fellow Intangible Heritage Studies. Vanuit die positie doet hij o.a. onderzoek naar processen van erfgoedisering in een superdiverse samenleving. Volgend jaar vindt in dit kader een internationale conferentie plaats, in samenwerking met Belgische, Franse en Duitse instellingen. Van de Zeijden stelt vast dat er belangrijk onderzoek kan en wordt gedaan naar controversieel erfgoed, maar de vraag is: als deze onderzoeken zijn gedaan, hoe moet hier dan mee worden omgegaan? Zijn er voor erfgoedinstellingen manieren om daarmee aan de slag te gaan? Van der Zeijden zou graag samenwerken met verschillende erfgoed en culturele instellingen om deze vraag te kunnen beantwoorden. *Wat kunnen de instellingen doen om vraagstukken rond diversiteit, schuring en controversieel erfgoed te adresseren.

 

Margriet Leidelmeijer van Leidelmeijer Historisch onderzoek en advies, is met name gericht op het toegankelijk maken van wetenschappelijke kennis voor een breder publiek. Met het Indisch herinneringscentrum heeft zij het project Kenniscentrum Repatriëring opgezet. Het gaat daarbij om de visualisatie van de reis van Indië naar Nederland, aan de hand van verhalen, fotomateriaal en achtergrondinformatie. In het kader van het project zullen repatriëringslijsten toegankelijk worden gemaakt. .

Er worden parallellen getrokken met vluchtelingen omdat deze een soortgelijke reis hebben ondergaan. Op basis van goede en wetenschappelijke informatie is het zaak de verhalen toegankelijk te maken. Het kan bijdragen aan het creëren van begrip voor mensen die vanuit een oorlogssituatie moeten vluchten naar een land waar alles onbekend voor hen is. Het moet breder getrokken worden zodat iedereen het zich realiseert wat het beteken om in een nieuw land overnieuw te moeten beginnen.

 

Rob van der Laarse, hoogleraar aan de UvA, Amsterdam School of Heritage, Memory and Material Culture. Van der Laarse leidt een Europees HERA programma, met 6 universiteiten en 8 musea en herinneringscentra rond voormalige concentratiekampen van de nazi’s. Hierbij gaat het om het ontsluiten van deze plekken, de met de plekken verbonden objecten, data, archieven en oral history materiaal, maar ook de ruimte zelf door middel van archeologisch onderzoek. Er wordt met filmmakers samengewerkt. Het is een onderwerp dat alsmaar groter blijft worden. Vraag is dan ook: Hoe kun je al de data die dit project oplevert op een goede manier bij elkaar brengen? Het is allemaal gedigitaliseerd materiaal maar het is allemaal verschillend en hoe maak je die contestant verhalen toegankelijk? Hoe deel je de onderzoeksdata met erfgoedprofessionals, hoe kunnen zij vruchtbaar samenwerken?

 

Jan Bosch is teamleider afdeling collecties Koninklijke Bibliotheek De KB verzamelt alles wat er aan Nederlandse publicaties verschijnt, en wat er aan publicaties over Nederland in het buitenland verschijnt. Tegenwoordig vallen hieronder ook websites en e-journals etc.

Bosch vertelt over het grote digitaliseringsproject van de KB, waarbij ook aandacht is voor webarchieven: Nederland heeft miljoenen sites, en deze kun je nooit voortdurend bijhouden. Naast het digitaliseringsprogramma is er een programma speciaal voor documentair erfgoed, foto en filmmateriaal, gekoppeld aan het het Memory of the World programma van UNESCO. In het kader van dit project is onlangs een in 1944 gemaakte documentaire over Kamp Westerbork ingevoerd. Het roept allerlei vragen op die raken aan het thema controversieel erfgoed..Tussen het materiaal dat nu wordt ontsloten zit veel betwist/controversieel materiaal. Een terugkerend dilemma voor de KB is wat nu precies wel/niet als erfgoed moet worden beschouwd/ wat wel/niet moet worden bewaard.

 

Carola Hein van TU Delft Bouwkunde vertelt over een project rond water en erfgoed. Er wordt gewerkt aan een boek, waarin aandacht is voor zowel materieel als immaterieel erfgoed., voor vraagstukken rond space, rond maar ook the fysical en the physical. Als je bij dit onderwerp naar de problemen kijkt zoals de stijgende zeespiegels is een van de vragen ‘wat doe je dan met de dijken?’. Het gaat dus over verleden heden toekomst. Een ander onderzoeksprogramma richt zich op ‘gebouwenherkenning’ via google (naar analogie van het herkennen van gezichten). Hein vertelt verder over haar interesse voor Petroleum landscapes: men is bezig met verantwoord leveren van energie en materiaal, maar wat gaat er gebeuren met die infrastructuur van de olieraffinaderijen? Hebben we het hier over het erfgoed van de toekomst? Kunnen wij hiervan leren met het oog op een betere toekomst? Er is veel gebouwd door de olie-industrie, hoe onderhoud je deze verhalen en hoe kunnen we aan de hand van deze verhalen bouwen aan een betere toekomst.

Hester Dibbits, lector aan de Reinwardt Academie, bijzonder hoogleraar aan de Erasmus Universiteit en boegbeeld van de route Levend Verleden vertelt over het onderzoek naar het idee en de methode van ‘emotienetwerken’ waar zij al geruime tijd aan werkt, samen met Marlous Willemsen, directeur van Imagine IC en onderzoeker bij het lectoraat van de Reinwardt Academie. Willemsen en Dibbits hebben samen met een aantal partners vanuit de Erasmus Universiteit een aanvraag ingediend bij de NWA route Veerkrachtige en Zinvolle Samenleving voor de verdere ontwikkeling van het concept en de methode. Dibbits en Willemsen vinden het belangrijk om inzichtelijk te maken dat erfgoed niet een zaak is van afzonderlijke gemeenschappen van ‘like minds’, maar dat het juist betekenis krijgt in pluriforme netwerken, en dat we erfgoedproductie dus ook vanuit een netwerkperspectief moeten onderzoeken, met oog voor meerstemmigheid en schuring.. Kernvraag in het onderzoeksproject van Dibbits en Willemsen is wat er gebeurtals je die dynamiek, tussen mensen in hun verschillende posities, tussen al die actoren en factoren, in beeld brengt en zichtbaar maakt. Met Waag Society en andere betrokken partners werken ze aan ontwikkeling van een visualisatietool die de dynamiek in netwerken rond erfgoeditems kan laten zien. Gaan posities schuiven op het moment dat je meerstemmigheid en schuring laat zien? De gedachte is dat visualisatie kan bijdragen aan de erfgoedwijsheid omdat het mensen bewust maakt van de dynamiek van erfgoed.

 

Met alle ideeën op tafel gingen de deelnemers op zoek naar de gedeelde vragen. In elk geval betreft het de vraag naar de praktische kanten van de omgang met diversiteit, schuring en meerstemmigheid, maar ook, daarvoor nog, is er de vraag hoe instellingen verschillende verhalen ‘binnen kunnen halen’, voor het voetlicht kunnen brengen, of en hoe ze de verhalen moeten ‘duiden’/ interpreteren, hoe we ervoor kunnen zorgen dat de verhalen niet alleen “over de schutting worden gegooid”, maar dat mensen er ook iets mee kunnen. .

Rob van der Laarse bracht de notie van ‘politics of affect’ naar voren. Ook spraken we over de zoektocht naar de juiste terminologie waar het de omgang met ‘contested heritage’ betreft.. In hoeverre is het de taak van de onderzoeker of professional om trends te signaleren, om patronen in verhalen naar boven de halen?. Albert van der Zeijden stelde de vraag hoe je verhalen rond een object bij elkaar kan brengen, rekening houdend met de gelaagdheid en meerduidigheid van die verhalen..Steeds weer blijkt het belang van aandacht voor de terminologie: hoe breng je onderwerpen onder woorden? We kwamen op het probleem van subjectiviteit en de vraag of je de discussie moet aangaan over de betrouwbaarheid van verhalen. En wat te doen met de behoefte die mensen voelen aan houvast, aan helderheid en vastigheid? Hoe ga je daarmee om in het besef dat erfgoed (en cultuur in het algemeen) zo complex en dynamisch zijn? Het gaat, als we het over contested heritage hebben - en in feite is al het erfgoed contested - uiteindelijk ook over macht, zo werd opgemerkt: je moet de verschillende stakeholders in kaart brengen en de belangen boven tafel krijgen. Pas dan kun je naar oplossingen gaan zoeken. Wat is de rol van erfgoed instellingen hierin? En hoe betrek je in dat proces nieuwe groepen?

 

Kernwoorden: Historiografie van erfgoed. Politics of affect. Analyse van patronen. Narratives. Trends signaleren voordat het trends zijn: Houvast, hoe spelen wij hiermee? Hoe komen we uit de standaard narrative. Rol van de erfgoedinstelling. Toegankelijkheid. Subjectiviteit/Objectiviteit. Emotie-netwerken.

 

 

6 Betwist erfgoed

Mobiele betekenis en diverse betekenisgeving

Tafel zes, onder leiding van Norah Karrouche, behandelde het onderwerp betwist erfgoed. Of beter gezegd, moeilijk erfgoed, aangezien de moeilijkheid soms zit in het omgaan met ­­­– in plaats van een twist over – het erfgoed zelf. Een tweetal casestudies vormde de basis voor de discussie. Eerst zullen de casestudies tijdens het gesprek besproken worden en daarna zal er aandacht worden besteed aan een drietal kernthema’s dat bij deze bespreking naar voren kwam; de nieuwe rol van de erfgoedwerker, diverse waarderingen en tot slot de mobilisatie van betekenis.

De casestudies – de Muur van Mussert in Lunteren, onderdeel van de gemeente Ede, en parkeergarage Kempering in de Bijlmer – zijn op veel vlakken vergelijkbaar. In beide gevallen betreft het gebouwd erfgoed en zijn er diverse partijen bij betrokken die op verschillende manieren, cultureel of economisch, eigenaar zijn van het erfgoed.

Zo is de toekomst van de muur waar Mussert zijn ‘Hagespraken’ hield op lokaal en nationaal niveau onderwerp van discussie. De gemeente Ede wilde tien jaar geleden de muur een monumentale status geven, maar heeft daar na veel kritiek van afgezien. Momenteel buigt de Wetenschapswinkel in Wageningen zich over de kwestie met een internationale groep studenten. Daarnaast heeft de RCE recentelijk interesse getoond. De muur, liggend op particulier recreatieterrein, is in slechte staat, wat een bepaalde beslissing over de toekomst van de muur afdwingt. Binnen het bestemmingsproces wordt gezocht naar meerstemmigheid, waarbij er ruimte is voor representatie van diverse historische en sociale narratieven over de muur zelf, en ook voor diverse interpretaties van de muur. Uiteindelijk wordt de toekomst van de muur waarschijnlijk bepaald door de eigenaarschapskwesties. Eenzelfde lot is waarschijnlijk de tweede case beschoren: Parkeergarage Kempering.

Parkeergarage Kempering is een van de eerste voorbeelden van de bijna vijftig jaar oude, modernistische bouwstijl van de hoogbouw in de Bijlmer. In het kader van het lustrumjaar is er door Imagine IC een verzameltraject gestart, waarbij de bottom-up erfgoedvorming van de hoogbouw een rol speelt. De garage heeft geen praktische functie, aangezien de Bijlmer nu anders is ingericht. Dit heeft geleid tot een nominatie voor de sloop. Het Bijlmermuseum wil dit tegengaan en probeert van de parkeergarage een officieel monument te maken, gebruik makende van de sociale betekenissen die Imagine IC heeft verzameld. Een andere stakeholder is de lokale Pinksterkerk die de pacht van de garage heeft afgekocht en daarmee de enige gebruiker is. Er is tussen de betrokken partijen consensus over dat er sprake is van erfgoedwaarde, maar die waarde moet nog wel worden gedefinieerd. Bovendien blijkt een inclusieve aanpak in dit geval, voor de Pinksterkerk, lastig.

Moeilijk erfgoed roept vaak veel vragen op. Hoe relateer je een nationale geschiedenis aan een persoonlijke of lokale herinnering? Moet de erfgoedprofessional wel met een eenduidige betekenis komen? Kan een meerstemmige geschiedenis wel een sterke boodschap overbrengen? En is dat wel waardevol in de toekomst? Wat is de rol van de erfgoedprofessional in een conflictsituatie? Moet de erfgoedprofessional een (sociale) erfgoedwerker worden? En betekent dit een maatschappelijke socialisering van de erfgoedsector? Moet al het erfgoed sociaal gefundeerd zijn?

 

De erfgoedwerker

Er wordt aan de tafel geopperd dat geschiedenis een grondstof is, waar we oneindig op kunnen retro-reflecteren vanuit een nieuwe tijd en een nieuw perspectief. De geschiedenis dient als instrument voor onze eigen ideeën, maar is tegelijkertijd al gevormd en vervormd door ideeën van anderen. Is het vervolgens de taak van de erfgoedprofessional om de schijn van een statische (historische) betekenis bloot te leggen? Of wordt de erfgoedprofessional, vanuit een emancipatorische rol in een superdiverse samenleving, een (sociale) erfgoedwerker?

Er komt naar voren dat de erfgoedwerker vooral niet een paternalistische rol moet innemen, maar juist situaties moet kunnen gelijktrekken. Hij of zij moet in staat zijn de machtsverhoudingen tussen centrum en periferie, de stilte en het debat, minderheden en meerderheden, gecanoniseerd erfgoed en bottom-up erfgoed in een nieuwe balans brengen. Om dat te kunnen moet de erfgoedprofessional misschien zelf ook meerstemmigheid omarmen; als we kritisch om ons heen kijken kunnen we ons afvragen hoe divers de erfgoedwereld zelf is. Er is meer nodig dan inclusiviteit, ook de inhoud van projecten, een diverse staf en een betere weerspiegeling van de realiteit – de superdiverse samenleving − zijn noodzakelijk.

 

Diverse waarderingen: ‘leuk erfgoed’

Inclusief erfgoed begint bij verschillende manieren om te waarderen en een diversiteit aan waarderingen. Hoe kunnen we vanuit en met een brede samenleving gezamenlijk erfgoed maken? Erfgoed wordt, net zoals geschiedenis, vaak geïnstrumentaliseerd of geframed voor een bepaald doel. Een voorbeeld hiervan is de politisering van erfgoed voor nationale en/of Europese agenda’s. Erfgoedinstellingen zijn inherent een cultureel machtsmiddel, waarbij instrumentalisatie vanuit de politiek een natuurlijke bijzaak is. Wat steekt, is dat hierdoor de focus niet bij het proces maar bij het product ligt. Vaak resulteert dit in de productie van een stukje ‘leuk erfgoed’ met een moralistische boodschap. Jammer, volgens de mensen aan tafel. Hierdoor wordt de flexibiliteit uit het oog verloren; de interpretatie van de geschiedenis wordt als een gegeven beschouwd, in plaats van als een benadering. Terwijl er, volgens de groep, juist veel te halen is uit hoe iedereen zijn eigen verbindingen en relaties legt. Met andere woorden: een de-canonisering van erfgoed. Van een synchroniserende benadering naar een pluralistische benadering en van betekenisgeving naar betekenisrichting. Erfgoed maak je ten slotte om door te geven aan de toekomst, vanuit een hedendaagse reflectie. Een meer bescheiden opstelling naar onze toekomst toe, zou ons – in de toekomst – helpen om erfgoedpresentaties als interpretatief te beschouwen.

 

Het mobiliseren van een meervoudige geschiedenis

Het concept van een interpretatieve, meervoudige, geschiedenis wordt niet door iedereen onderschreven. Vaak is erfgoed meer van de een dan de ander, waardoor erfgoedkwesties vervolgens kwesties van eigenaarschap worden. Niet iedereen wil inclusief zijn, laat staan zijn of haar erfgoed met anderen delen. Bovendien kunnen meerdere betekenissen juist leiden tot conflict. Maar is conflict per definitie slecht? Conflict is onderdeel van het proces, waarin een historische gebeurtenis in een hedendaags perspectief wordt geplaatst. Conflict is noodzakelijk voor herdefinieering. De vraag die ons rest is hoe we ruimte kunnen creëren voor verschillende betekenissen wanneer we werken met moeilijk erfgoed. Hoe faciliteren we zowel diverse als inclusieve betekenisgeving en betekenissen? Hoe kunnen we dit soort dynamiek, non-representativiteit, presenteren of verwerken in een, of in onze eigen, opstelling? Hoe mobiliseren we betekenis tot een non-representatief gegeven, richting een strategie waarin discussie centraal staat bij de betekenisgeving van moeilijk erfgoed, in plaats van het resultaat?

 

Conclusie

Uit de rondetafelgesprekken komt een veelvoud aan creatieve oplossingen, gelaagde inzichten en inspirerende casestudies naar voren. De gesprekken laten zien dat er binnen de erfgoedsector een zelfkritische houding en diversiteit aan praktijken bestaat. Ondanks deze diversiteit is er wel een drietal gedeelde elementen terug te zien in meerdere rondetafelgesprekken. Daarnaast komt er een aantal thematische elementen terug.

Gedeelde elementen. De drie elementen die uit de gesprekken naar voren komen zijn diversiteit, transparantie en procesmatig denken.

 

Diversiteit

Diversiteit als ontwikkeling heeft invloed op ieder vlak van de samenleving. Het stelt het gevoel van eigenaarschap aan de kaak en vraagt om een inclusieve nuancering van de culturele uitwisseling die aan cultuur ten grondslag ligt. Daarmee moet ook gezegd worden dat we, als land, voorbij de multiculturaliteit zijn. Zeker in de grote steden kan gesproken worden van een superdiverse samenleving waarbij we moeten werken met een transnationale en interculturele aanpak.

Daarnaast is er een aantal maatschappelijke ontwikkelingen waar de erfgoedsector beter mee kan leren omgaan. Zoals werken in en met een superdiverse samenleving, en de balans tussen nationale en lokale betekenisgeving (tafel zes). Hoe kunnen we nuances aanbrengen in het onderzoek naar hoe de uitwisseling plaatsvindt? Hoe bewaren we ‘microgeschiedenis’ van migranten en vluchtelingen en hoe kunnen we deze kennis vastleggen en bewaren (tafel twee)?

 

Transparantie

Een tweede gedeeld element is de zoektocht naar transparantie, een gelijksoortige macrotrend die veel ontwikkelingen en problemen met zich meebrengt. Er liggen grote belangen bij een betere balans tussen het gewicht van wetenschappelijke, culturele en maatschappelijke kennis in (re)presentaties en collecties.

Daarnaast komt naar voren dat er sprake is van een groeiend institutioneel wantrouwen (tafel zes) terwijl er ook wordt opgeworpen of co-creatie met burgers niet leidt tot alternative thruths (tafel drie). Daarnaast wordt gesteld dat instellingen transparanter moeten worden over informatie die ze mogelijk niet hebben (tafel een). Dit vereist omgang met meerdere vormen van kennis van de erfgoedprofessional en bovendien een sterkere transparantie in de omgang met kennis. Ofwel, meer transparantie in het proces van waardering en selectie van betekenis- en kennisgeving. Zo wordt, aan tafel een, binnen het kader van digitaal erfgoed, gesproken over de behoefte aan digitale erfgoedstructuren waarin metadata over de bewerkingsgeschiedenis worden bijgehouden. Dit komt ook aan bod aan tafel drie, waar de impact van de burger als expert op de positie van de erfgoedprofessional is besproken. Deze invloed komt bijvoorbeeld tot uiting in de socialisering van de omgang met erfgoed in de titel ‘erfgoedwerker’ in plaats van ‘erfgoedprofessional’ (tafel zes). Daarnaast vraagt dit om verdere integratie van erfgoedstudies en historische studies in andere maatschappelijke kwesties.

 

Procesmatig denken

Niet alleen de geschiedenis zelf, maar ook de totstandkoming ervan is belangrijk voor ons historisch-maatschappelijk besef (tafel twee). Om statische betekenissen en oppervlakkige betekenisgeving tegen te werken en een diverse, inclusieve en anti-presentistische omgang met erfgoed te stimuleren, wordt er gesteld om meer tijd en aandacht voor het proces te reserveren (tafel vier, vijf en zes). Een toevoeging aan het erfgoedlexicon is ‘het emotienetwerk’, een notie gemunt door Dibbits en Willemsen. Zoekend naar een alternatief voor het communitydenken, wordt vanuit een netwerkperspectief gekeken naar de wrijving rond en voortdurende herdefiniëring van erfgoed. Door de diverse betekenissen en het proces van betekenisgeving letterlijk in kaart te brengen kan de gelaagdheid van erfgoed breder worden opgepakt. De focus verschuift dus van het product naar de dynamiek, die erfgoed haar complexiteit en eigenzinnigheid teruggeeft (tafel vier).

Het verschuiven van de focus van product naar proces binnen de erfgoedsector vraagt bovendien om meer aandacht voor de discussie omtrent erfgoed. Zo wordt aan tafel twee gesproken over de urgentie van betere integratie van erfgoedstudies en historische studies in maatschappelijke stukken of kwesties om zo relevantie en bewustzijn te creëren. Dit werpt ook vragen op over hoe we zulke relevantie kunnen herkennen, valoriseren en welke criteria we daarvoor toe moeten passen (tafel twee).

DSCN1675.JPG
 

Thematische elementen

Naast de gedeelde elementen die de drie ‘gamechangers’ overstijgen, zijn er ook enkele onderwerpen die de tafels per gamechanger verbinden. De onderstaande elementen worden dan ook besproken per thema.

 

Temporaliteit (tafel een en twee)

Digitale culturen vragen om nieuwe methodologieën; een nieuwe erfgoedsemiotiek wanneer het aankomt op digitale netwerken. Dit betekent (leren) omgaan met metadata, diverse (historische) waardes, visualiseren van complexiteit en dynamiek en hergebruik van digitale bestanden. Hoe zorgen we in de snelle tijdelijkheid van de digital realm voor een proces van behoud van kennis? Daarnaast moet erfgoed meer in samenspraak met de fysieke ruimtelijke context en de digitale context gepositioneerd worden. Hoe vertaal je (historische en culturele) data naar een belevenis voor de gebruiker? Hoe kun je databases in de samenleving introduceren? Tot slot is de relatie tussen wetenschappelijk onderzoek en maatschappelijke validatie van een eindproduct nog niet altijd helder gedefinieerd. De noodzaak van maatschappelijk belang in ieder (onderzoeks)product is binnen de wetenschappelijke wereld nog niet altijd niet aanwezig.

 

Burgerparticipatie (tafel drie en vier)

Rondom het thema burgerparticipatie komt de vraag naar samenwerking met niet-commerciële partijen naar voren, zoals via digitale werkplaatsen en wetenschapswinkels. Het omgaan met diverse betekenissen en interpretaties van erfgoed, op diverse lagen van de samenleving, is lastig. Vaak moeten er beslissingen worden genomen en dan is het de vraag welke belangen zwaarder wegen. Bovendien worden de gemeenschappelijke belangen van zulke samenwerkingsprojecten niet altijd goed in kaart gebracht. Inventarisatie van zulke gemeenschappelijke belangen voor zowel de burger als de culturele instellingen kunnen van grote waarde zijn.

Een tweede vraag is hoe men om moet gaan met de data die voortkomt uit publieksparticipatie. Dit wordt gecompliceerder met de rol van de burger, die de rol van de expert inneemt. Niettemin, zo wordt gesteld aan beide tafels, is het mogelijk dat die tweedeling helemaal niet bestaat. Volgens tafel vier is juist sprake van versmelting; de burger, expert en activist kunnen dezelfde persoon zijn. De tweedeling tussen burger en expert wordt niet erkend. Daarentegen ligt bij de omgang met de verzamelde data juist een kans voor de wetenschap. Het verhelderen en inzichtelijk maken van die maatschappelijke kennis wordt juist gezien als zin- en waardevolle taak voor de wetenschap.

 

Betwist erfgoed (tafel vijf en zes)

Tafel vijf en zes bleken in het bijzonder op zoek naar instrumenten en strategieën. Bijvoorbeeld om op een dynamische manier erfgoed te presenteren of in een opstelling te verwerken. Dynamisch wordt hier breed gedefinieerd, dus zowel in de omgang met diversiteit en een meerstemmigheid in betekenisgeving, als in de vorm van diverse interpretaties van verschillende patronen.

Voordat erfgoedwerkers zich kunnen toeleggen op dat soort vraagstukken zullen ze allereerst moeten nadenken over hoe ze toegang kunnen krijgen tot deze verschillende verhalen en interpretaties. Over een cultureel diverse samenstelling van de staf wordt al jaren gepraat en spreekt voor zich, niettemin blijkt dat dit in de praktijk vaak niet gerealiseerd wordt. Erfgoedinstellingen moeten bij zichzelf te rade gaan, je kunt niet presenteren zonder te classificeren dus mogen de politics of affect dan een grotere, meer openlijke, rol spelen?

Daarnaast worden er kritische vragen gesteld over de mobiliteit van betekenis(geving). Hoe mobiliseren we betekenis tot een non-representatief gegeven, richting een strategie waarin discussie centraal staat bij de betekenisgeving van moeilijk erfgoed, in plaats van het resultaat? Het blijkt lastig om zulke meerstemmige en veelzijdige narratieven te presenteren binnen een toegankelijk medium. Enerzijds moet er sterker procesmatig gewerkt worden, anderzijds is het lastig om dit te doen zonder houvast te verliezen of in te grote mate abstract te worden. Hoe kunnen we diverse betekenissen van een object of ding omvatten en verwoorden? Misschien kan de erfgoedwerker, om het debat (als erfgoedproces) te faciliteren, hierin ondersteuning bieden door een terminologie te helpen vormen. Om zo handvatten te bieden die de omgang met dit soort problematiek ondersteunen.

 

Deze rondetafelsessies vormen een startpunt in een zoektocht naar een gezonde balans tussen wat geschiedenis betekent en kan betekenen in de samenleving. Met deze kernpunten kan de bewegwijzering voor de onderzoeksroute verder worden uitgezet. Transparantie, diversiteit en procesmatig denken vormen hierin belangrijke routes. De versmelting van de rol van burger, expert en activist is hierbinnen tekenend.

Het is aan de wetenschap om dit niet te cureren, maar juist het verbindende element (erfgoed) de discussie te laten dragen om zo verheldering en structuur te bieden. Zowel instrumenten voor het verhelderen, vastleggen en toegankelijk maken van data(bases), als een nieuwe terminologie zijn binnen deze ontwikkeling van cruciaal belang. Er is een duidelijke behoefte aan instrumenten die helpen met het omgaan met de uiteenlopende veranderende werkelijkheden om zo maatschappelijke veranderingen zoals dekolonisatie en de diversifiëring van een collectieve identiteit te kunnen ondersteunen. Zowel in de vorm van een (toegankelijke) terminologie om mee te werken, als manieren om diverse en inclusieve betekenisgeving te faciliteren binnen o.a. een tentoonstelling.

  

DSCN1682.JPG
 

Tafel 1:

Patricia Alkhoven (Meertens instituut)                                                               voorzitter

Ruben Wijlacker (Reinwardt Academie)                                                             secretaris

Frank van der Hoeven (TUD Bouwkunde)

Ilona von Stein (DANS)

Renée van de Vall ( Maarstricht University)

Judith van der Elst (Archeologe)

Arjan van Hessen (Telecats, UT/UU, afgemeld)

Marco de Niet (DEN Kenniscentrum Cultuurmakers)

Wim Hupperetz (UvA/Allard Pierson Museum)

Emil Roes (Nieuwland)

Renée Hagesteijn (KITLV)

Julia Noordegraaf (UvA)

 

Tafel 2:

Ysbrand Hummelen (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)                                    Voorzitter

Mike van der Steenhoven (Reinwardt Academie)                                                         Secretaris
Pauline van Roosmalen ( Vrije universiteit Amsterdam) 
Marion Poortvliet (Stichting Crafts Council Nederland) 
Vivian van Saaze (Universiteit van Maastricht)

Leonard Rutgers (Universiteit Utrecht) 
Sophie Elpers (Onderzoeker Meertens Instituut) 
Boudewijn Goudswaard (The Missing Link)
Sanneke stichter ( Universiteit van Amsterdam) 

 

Tafel 3: (lokaal 2.01)

Johan Oomen (Beeld en Geluid)                                                                          Voorzitter

Maxime de Vries (Reinwardt Academie)                                                                        Secretaris

Saskia Stevens (Utrecht University)

Ivo Zandhuis (Ivo Zandhuis Research & Consultancy)

Els Thijssen (Museumadvies Els Thijssen)

Merel van der Vaart (Universiteit van Amsterdam)

Wilma Gijsbers (Stadsarchief Amsterdam)

Sonja de Leeuw (Utrecht University)

Roel During (Wageningen University and Research)

Saskia Moerbeek (Stichting BMP)

 

Tafel 4:

Carla Hoekendijk (HKNDK)                                                                                     voorzitter

Bas de Wal (Reinwardt Academie)                                                                                  Secretaris

Sylvia Fennis (Percesyl)

Arjen Kok (RCE)

Gijs Kessler (IISH)

Peter Veer (Beeld en Geluid)

Thomas Franssen (CWTS, Leiden University)

Riemer Knoop (Lector Reinwardt Academie/Gordion advies)

Menno Heling (If Then Is Now)

Coen van Galen (Radboud Universiteit Nijmegen)

Catherine Visser (DAF-architecten)

Michael Braam (Provincie Noord-Holland)

 

Tafel 5:

Hester Dibbits          (Reinwardt Academie         /AHK)                                                              Voorzitter

Sophie van Krieken (Reinwardt Academie)                                                                    secretaris

Erik de Jager (Stichting reis van de razzia)

Frank von Meijenfeldt (Stichting bevordering maatschappelijke participatie)

Aart Oxenaar (Monumenten archeologie Gemeente Amsterdam)

Amanda pinatih (Crafts council Nederland)

Hans van Keulen (UvA, Byz. Collecties)

Rabiaâ Benlahbib (Creative Court Den Haag)

Albert van der Zeijden (St. Immaterieel Erfgoed)

Margriet Leidelmeijer (Leidelmeijer Historisch onderzoek en advies)

Rob van der Laarse (UvA)

Jan Bosch (Koninklijke Bibliotheek)

Carola Hein (DAF Architecten)

 

Tafel 6:

Norah Karrouche (Vu, Eur)                                                                          Voorzitter

Marit van Dijk (Reinwardt Alumni masterstudent UCC)                                   Secretaris

Rosalie van Dam (Wageningen Environmental Research)

Nathalie de Haan (Radboud Universiteit)

Javier Gimeno Martinez (Vrije Universiteit)

Noortje Willems (ATRIA)

Marlous Willemsen (Imagine IC)

 

Verslag: Marit van Dijk (inleiding, conclusie en tafel 6), Ruben Wijlacker (tafel 1), Maxime de Vries (tafel 2), Mike van der Steenhoven (tafel 3), Bas de Wal (tafel 4) en Sophie van Krieken (tafel 5).
Eindredactie: Hester Dibbits en Patricia Alkhoven


Mediabestanden


0 reacties

Plaats een reactie