Straatwaarden in het nieuwe speelveld van maatschappelijke erfgoedpraktijken

-- Verslag van de Erfgoedarena op 20 sept. 2017. --
Wat gebeurt er als alle variabelen in een vergelijking tegelijk veranderen - wat betekent “onroerend erfgoed” in een razendsnel veranderende wereld? Hoe ga je tegenwoordig om met collectieve waarden in de publieke ruimte, wanneer het collectief versplintert en burgers nieuw rollen en verantwoordelijkheden nemen, terwijl de roep om een sociaal-duurzame vormgeving van onze leefomgeving groeit?

Dat waren de vragen op de drukbezochte Erfgoedarena op 20 september 2017, een coproductie van de Reinwardt Academie en het Fonds voor Cultuurparticipatie, aan de hand van de Straatwaarden-publicatie van de Reinwardt Academie. Het gelijknamige onderzoek gaat dieper in op de groeiende maatschappelijke kant van erfgoedpraktijken in de relatie tussen erfgoed en ruimte. In de publicatie Straatwaarden in het nieuwe speelveld van maatschappelijke erfgoedpraktijken wordt gesteld dat aan beide kanten van de vergelijking, zowel op het terrein van erfgoed als dat van ruimte, er van alles aan het schuiven is gegaan. ”Beschermd onroerend erfgoed is niet langer sacrosanct puur omdat de overheid iets tot monument verklaarde. Nieuw erfgoed ontstaat ook meer en meer onder invloed van maatschappelijke in plaats van wetenschappelijke processen Het onderzoek laat in de ruimtelijke ordening iets vergelijkbaars zien; “Ook daar zie je steeds vaker ontwerpprocessen waarbij de samenleving actief betrokken is en sociale betekenissen in het geding zijn. Erfgoedwaarden worden onderdeel van het vormgeven aan de leefomgeving, terwijl op het snijvlak van de omgang met erfgoed en de inrichting van de ruimte nieuwe verbindingen te zien zijn.” 

Volgens Riemer Knoop, lector van de Reinwardt Academie en moderator van deze bijeenkomst, heeft de samenleving steeds meer invloed op wat we collectief als erfgoed willen bewaren maar ook ervaren. Het gaat daarbij om praktijken op cultuur-maatschappelijk gebied die duurzaam zijn, en gericht zijn op nieuwe groepen mensen waarbij zaken als participatie, het zelf doen, en bewustzijn van schaal, verbindingen en gelokaliseerdheid centraal staan. Deze beweging wordt wel, naar een term van onderzoeker Michiel Schwarz, sustainisme genoemd, als alternatief voor het modernisme.

Op de crossovers tussen ‘erfgoed’ en ‘ruimte’ wordt bekeken hoe erfgoed zich tot die ruimte verhoudt. Zo ontstaat als het ware een nieuw speelveld, dat volgens Knoop om nieuwe rollen vraagt voor de erfgoedprofessional, maar ook om een verandering van perspectief. Zo moeten we niet meer denken vanuit een object maar eerder in de vorm van relaties die mensen met het erfgoed en met elkaar aangaan, moeten we meer ruimte laten voor bottom up-benaderingen en van directieve werkwijzen naar een meer collaboratieve aanpakken gaan. Ook het onderscheid tussen het publieke en private werkveld verschuift volgens Knoop. Het gaat al meer over het werken met commons. Een andere belangrijke element is volgens hem de verschuiving in erfgoedbenadering van behoud naar activatie.

Uit het Straatwaarden-onderzoek kunnen voor nu drie conclusies trekken:

  1. Betekenisvol heritage making is een collectief ontwerpproces
  2. Dat is geen eigendom van één partij, maar iets dat tussen verschillende spelers plaatsvindt
  3. Het gaat altijd over, speelt zich af rondom waarden en betekenissen: als vorm van toekomstgericht engagement.

Interessant voor het vervolg is dan kijken naar wat dat betekent voor je rol als erfgoedprofessional, en meer in het bijzonder onderscheiden wat voor expertise in die nieuwe engagementen nodig zijn.

Winnares Marjolein te Grotenhuis van de 2017 P.J.A. van Menschprijs voor het beste Reinwardt-afstudeerwerk, toont in haar onderzoek naar culinair erfgoed bij Van der Valk-Hotel Apeldoorn zien dat het bij placemaking en heritagemaking niet alleen gaat om het samenbrengen van partijen, maar vooral om het onderzoeken van waarden en daar betekenissen aan ontlokken. Volgens Te Grotenhuis ging het in haar casus niet alleen om het behoud van het cultuurlandschap, namelijk de ‘enk’ waar een moestuin op moest komen, maar om het gezamenlijk geven van nieuwe betekenissen aan en het duurzaam gebruiken van het erfgoed. De handleiding van Te Grotenhuis is te lezen op www.erffood.com

Teun van den Ende (Platform VOER en o.a. werkzaam bij Atelier Rijksbouwmeester) bouwt door op de gedachte van Knoop en Te Grotenhuis. Volgens hem kan erfgoed op verschillende manieren tot stand komen, waarbij het vaak gaat om de verbindingen tussen mensen, gedachten en praktijken. Het erfgoedveld verdient volgens Van den Ende een rol in de ontwerpfase, waarbij ontwerp niet al te letterlijk moet worden opgevat; het kan gaan om zaken als procesontwerp, het creëren van draagvlak, het ontwikkelen van ontwerptools en het schetsen van scenario’s. Erfgoed en ruimtelijk ontwerp kan je volgens Van den Ende terug zien in de Friese cultuurlandschappen, waaraan Van den Ende de Friese identiteit koppelt. Als dit cultuurlandschap er niet meer is voelt de gemeenschap landschapspijn (term: Peter de Ruyter, landschapsarchitect), maar geldt dit voor elke generatie? En welke vragen werpt dit op voor erfgoedprofessionals die daarmee om moeten gaan? 

Deze conclusie vormde het begin van een grote rondetafeldiscussie. Karin Westerink (voorzitter Federatie Grote Monumentengemeenten en afdelingshoofd Monumenten, MenA gemeente Amsterdam) schetst de invloed van de maatschappij bij al haar werkzaamheden. Er is geen scherpe censuur op maatschappelijke zaken bij de huidige monumentenzorg. Monumentenzorg begon als maatschappelijke organisatie. Laten we kijken of we terug kunnen gaan naar deze roots.Zij gaat gesprekken met bewoners aan om samen te zoeken naar dingen als de identiteit van de stad. Vanzelfsprekend zijn er binnen de afdeling Monumenten en Archeologie technocraten die de klassieke monumentenzorg nog hoog in het vaandel hebben staan, waardoor er sprake is van verschillende snelheden binnen een organisatie.  

Dat het maatschappelijke een belangrijke rol in (gebieds)herontwikkeling speelt kan panellid Joep de Roo (teamlid Linkeroever, b.v. Westergasfabriek, Marineterrein en Slachthuisterrein Haarlem) beamen. Volgens De Roo wordt de vraag naar een maatschappelijke functie vooral door opdrachtgevers op tafel gelegd. “Sommige opdrachtgevers vragen: Doe ons ook maar een Westergasfebriek’. Maar dat kan niet. Je weet vaak niet hoe een project zich gaat ontwikkelen […]. Daarom moet je onderzoekend werken, stap voor stap. Elk project in anders, want precies dié kracht en programmering krijgen die elders succesvol was, is lastig. Het is contextgevoelig.

Gerard Anderiesen (stadssocioloog en vrm. bestuurder bij wooncorporatie Stadsgenoot) heeft met beide bovengenoemde partijen te maken gehad en herkent zowel de maatschappelijke kant als de erfgoedkant in zijn werkzaamheden. De hoofdopdracht van woningcorporaties is betaalbare huisvesting realiseren voor mensen met een bescheiden inkomen. Maar daarnaast hebben ze ook veel monumentale panden in hun bezit.

Volgens Andriessen kun je als grote organisatie geen enkel plan doorvoeren zonder samenwerking met de gemeente, maar ook niet zonder draagvlak vanuit de wijk en de samenleving. Andriessen ziet dat er gelukkig al stappen zijn gezet in de overgang van het modernisme naar het sustainisme. Corporaties gaan dan in buurten op zoek naar specifieke oplossingen voor specifieke plekken.  

Hoewel bij elk panellid zowel erfgoed als maatschappij een rol speelt en zij daarover graag met de samenleving in gesprek gaan, kan het moeilijk zijn om deze gesprekken te faciliteren. Volgens Anderiesen komt dit voort uit het feit dat opdrachtgevers graag snel, definitief en volledig willen bestemmen. Maar Anderiesen ziet meer kansen wanneer je ruimte open laat om deze te laten invullen door bijvoorbeeld de samenleving. Je moet kijken naar andere vormen van ontwikkelen en daarvoor moet een ontwikkelstrategie hebben. Om dat te kunnen heb je weer expertise nodig.”

Het hebben van expertise is volgens Westerink belangrijk, maar even belangrijk is dat je de taal van andere expertises kunt spreken en begrijpen. Zelf noemt Westerink het voorbeeld van de Van der Pekbuurt in Amsterdam. In deze buurt lagen er vele plannen om de bewoners tegemoet te komen, maar de bewoners wilden liever in hun eigen vertrouwde buurt blijven wonen. Daarom werd er gekozen voor verbeteringen ter plekke, niet voor radicale vernieuwingen. Vanuit de zaal komt daarbij de aanvulling dat je moet kijken naar of de buurt in zijn geheel interessant is of dat je onderdelen (dimensionering, stratenpatroon…) daarin kunt aanwijzen die extra interessant zijn. Dat moet je bespreken met de bewoners. Het gaat daarbij om een ‘bodem leggen’ onder het gesprek.

Volgens het panel kan het leggen van zo’n bodem gepaard gaan met cultuurhistorie, waarbij de erfgoedprofessional onderdeel gaat uitmaken van de partij die het gezamenlijk gaat opbouwen. Het gaat daarbij volgens De Roo ook om het aanwijzen van een regisseur die kan kijken naar wat de nieuwe rollen zijn en welke emotie je wilt opwekken. Deze aanwijzing moet volgens De Roo niet alleen plaatsvinden in bestaande maar ook in nieuwe gebieden. “We moeten niet kijken naar de bouw van 50.000 nieuwe woningen in Amsterdam, maar juist kijken naar hoe we elders meer Amsterdam kunnen maken.” 

Maar wat wordt dan de rol voor de toekomstige erfgoedprofessional? Zoals De Roo hierboven opmerkt zijn we als erfgoedprofessional, regisseurs of curatoren geworden, waarbij we niet top down werken maar ons juist ons richten op capacity building. Daarbij moeten we niet vergeten dat we juist bij deze vermaatschappelijking ook te maken krijgen met ‘zelfbenoemde curatoren’. Volgens het panel moeten we deze groep niet schuwen, maar juist ruimte scheppen voor dit soort initiatieven en hierin de verbinder zijn die mensen bij elkaar brengt.  

Jan Jaap Knol (Fonds voor Cultuurparticipatie) sluit af met het uitspreken van de hoop dat de Reinwardt Academie zich blijft inzetten voor het belangeloos onderzoeken van processen van erfgoedbepaling, zodat werkveld van nu en straks om kan gaan met de ‘zelfbenoemde curatoren’ en daarbij steeds collectief verbindingen aan durft te gaan.

 

Dionne Doets.


Mediabestanden


0 reacties

Plaats een reactie