Verslag Erfgoedarena 22-11-2017: Erfgoedwijsheid

Op 22 november vond de een-na-laatste erfgoedarena van het jaar plaats. Een einde (en begin) van een jaar is vaak een periode van reflectie en zo ook deze avond. Met erfgoedwijsheid als thema werd er een kritische blik geworpen op betekenisgeving dankzij en met erfgoed.

Het programma ditmaal wat interactiever dan anders bestaat behalve uit lezingen ook uit een miniworkshop, visualisaties en een column. Ook vernieuwend: niet één, maar twee moderatoren. Hester Dibbits, lector cultureel erfgoed aan de Reinwardt Academie en bijzonder hoogleraar historische cultuur aan de Erasmus Universiteit, leidt samen met Norah Karrouche, docent aan de VU en de Erasmus Universiteit, het gesprek.

Zoals gebruikelijk wordt de avond gestart met een stukje zelfreflectie: waar gaan we het eigenlijk over hebben? Is erfgoedwijsheid simpelweg wijselijk omgaan met erfgoed?  Of gaat het juist om wijzer worden van erfgoed? Dibbits biedt duiding en definieert erfgoedwijsheid als ‘omgaan met erfgoed in de praktijk’. Ze verwijst naar de heftige maatschappelijke debatten die momenteel worden gevoerd. De discussies over Zwarte Piet, maar ook over de Muur van Mussert in Ede. Dibbits maakt de vergelijking met het begrip mediawijsheid – burgers kritisch na laten denken over media. Waarom zou een soortgelijke relativering niet bij erfgoed kunnen plaatsvinden?

Een stapje terug

Als een erfgoedobject bekeken wordt vanuit de ontelbare associaties die aan een erfgoedobject kunnen worden gekoppeld, ontstaat er een soort netwerk. Vanuit dit netwerk kunnen we een stapje terug doen en reflecteren op onze eigen positie binnen dat netwerk. Studenten hebben dit recentelijk over de oprichter van de Reinwardt Academie Casper Reinwardt gedaan door een emotienetwerk met daarin elkaars emoties, belangen en associaties in kaart brengen. Maar juist door het bespreken van elkaars relaties tot iets anders, veranderen deze relaties ook weer. Het vastleggen en visualiseren van dergelijke dynamische gegevens is dan ook erg lastig. De volgende spreker rijkt een oplossing aan.

Volgens Robin van Westen, projectontwikkelaar Future Heritage Lab bij de Waag Society, ontstaan culturele objecten tijdens het onderhandelen over die objecten. Daardoor zien we Zwarte Piet nu anders dan over vijftien jaar, en op dit moment zien we Zwarte Piet weer anders dan vijftien jaar geleden. Het weergeven van een dergelijke superdynamische en relatieve transformatie kan volgens Van Westen door te focussen op de verschillen tussen de objecten, gevoelens en deelnemers. Door te vergelijken kun je inzicht vergaren, en nog belangrijker, een betekenisvol gesprek starten zonder dat dat via geschiedenis of andere ‘waardehoudende’ verhalen gaat. Door relaties te betrekken op het persoonlijke en emotionele, kunnen we erfgoed (voor even) onttrekken aan bestaande maatschappelijke waarden.

Een stapje naar voren

Wie weet kunnen deze netwerken ook worden toegevoegd als een soort metadata aan een museale collectie, oppert Van Westen, “om zo de veranderende perceptie rondom objecten en verhalen inzichtelijk te maken.” Zeker als het gaat om hedendaags erfgoed, is het verzamelen van emoties een verrijking. Denken vanuit emoties maakt het idee dat je erfgoed samen in onderhandeling maakt beter duidelijk dan bijvoorbeeld een publiek gesprek over de afbeeldingen op de Gouden Koets.

Maar denken vanuit emoties, hoe gaat dat dan in zijn werk? Dit wordt duidelijk tijdens de miniworkshop waarin de zaal gezamenlijk het volkslied moet zingen, iets wat zelfs op de Reinwardt Academie nog nooit eerder is gedaan. Na dit onorenschijnlijke schouwspel wordende verschillende opvattingen en inzichten besproken. Door hier samen op te reflecteren worden persoonlijke opvattingen gedeeld, die weer in andere uitwisselingen resulteren. Een zeer persoonlijke uitwisseling, die verassend snel en direct plaatsvindt.

Erfgoed in de onderhandeling

Na de miniworkshop, als het gegiebel eenmaal is verstomd, wordt de formele kant van het programma voortgezet. Jacqueline Vroemen, Reinwardtalumna, vertelt aan de hand van een column over haar afstudeeronderzoek naar het erfgoedonderwijs in Nederland. Ze illustreert treffend de tweedeling in het educatielandschap tussen het creëren van trots enerzijds en erfgoedwijsheid anderzijds. Zo benoemt enkele veelgehoorde oneliners:  dat je met erfgoededucatie “kunt leren waar je vandaan komt” en “trots kunt worden op jouw erfgoed”, die veel professionals vaak uit de mouw schudden. Deze oneliners zitten haar niet lekker. Vanuit dat ongemak  en de analyse van 1387 erfgoedprojecten later, kan ze het verschil duiden.

Er is het gebruik van erfgoed als bron, als onderdeel van aanschouwelijk geschiedenisonderwijs en dan is het ‘erfgoedsausje’ helemaal prima. Het probleem is volgens haar dat leerlingen vervolgens betekenis moeten gaan geven, zodat het erfgoed ‘van hen’ wordt. In erfgoedonderwijs is vaak pas ruimte voor een mening nadat het belang van (het behouden van) dit erfgoed al besproken is. Er wordt dus geen ruimte geboden om zelf een kritische mening te vormen of om aan te geven wat er wordt gevoeld of gevonden. Iemand uit het publiek is het hier maar deels mee eens. Geschiedenis draait toch ook om die kritiek en leeft bij die gelaagdheid. Vervolgens wordt vanuit het publiek de vraag opgeworpen of je erfgoed als artefact of als dynamisch proces kunt beschouwen.

Een alumni in de zaal herkent een grotere tendens. We zijn vanuit Peter van Mensch’ object als informatiedrager – waar het gaat om het object in relatie tot de omgeving – verschoven naar een focus op die relaties zelf. Deze meta-analyse hangt natuurlijk ook samen met de emancipatie van immaterieel erfgoed van het afgelopen decennium. Dibbits neemt hierbij de Museale Weegschaal als voorbeeld. We kennen diverse (historische, persoonlijke, esthetische) betekenissen toe aan objecten. Maar zijn emoties daar niet ook een onderdeel van? Omdat het om associaties gaat, die subjectief zijn, loopt het door elkaar en dat is wat het zo ingewikkeld maakt. Betekenisgeving verschuift van interpretaties naar relaties en daarmee verandert de informatiedrager van object naar mens. Het uitspreken van een gevoel van eigenaarschap staat niet gelijk aan trots zijn op erfgoed, daar is een proces van discussie en/of onderhandeling voor nodig. Erfgoedwijsheid is dus niet alleen cognitief, maar heeft daardoor juist ook met gevoelens en emoties te maken.

Vanuit het publiek komt de vraag of we niet met zowel interpretaties als met relaties kunnen werken. Volgens Karrouche blijft het toch vaak bij be- en aanschouwende erfgoededucatie, “waarin de dynamiek ontbreekt.” Volgens Vroems kunnen erfgoed en geschiedenis heel goed aan elkaar gekoppeld worden. Maar in een samenleving waar veel gedoe is om “standbeelden en liedjes” is erfgoed daarmee ook een ander, meer hedendaags, ding. Erfgoedwijsheid heeft dus ook te maken met ervaringen en ideeën. Iets wat goed aan geschiedenis gekoppeld kan worden, maar bijvoorbeeld ook aan taal.

Een stapje opzij

Een andere interessante opmerking uit het publiek is hoe deze erfgoedwijsheid binnen een breder perspectief moet worden geplaatst. Hoe zit het bijvoorbeeld met de omgevingswet, die ook vraagt om meer participatie? Erfgoedwijsheid ligt niet alleen bij onderwijs maar ook bij ruimtelijke kwaliteit. Volgens Dibbits delen zowel onderwijs als ruimtelijke kwaliteit de focus op meerstemmigheid, iets wat samenhangt met kritisch omgaan met erfgoed. Daarmee verschuift de rol van erfgoedexpert naar erfgoedbemiddeling.

Vervolgens neemt Marijke Huisman, universitair docent Geschiedenis en Kunstgeschiedenis aan de Universiteit Utrecht, het woord. Zij vertelt over haar ervaring die zij opdeed tijdens het geven van een cursus erfgoededucatie aan diverse studenten van verschillende lerarenopleidingen. Ook zij herkent een sterke erfgoedaanschouwelijke in plaats van een erfgoedkritische blik. Zich baserend op de Competenties for Democratic Culture, komt Huisman tot de vaststelling dat erfgoededucatie eigenlijk niet zonder burgerschapseducatie kan. Erfgoed wordt vaak aan geschiedenis gekoppeld, terwijl burgerschapsvorming een betere springplank zou bieden voor een kritische (zelf)reflectie.

Vanuit het publiek komt vooral empathie en begrip voor de leraren. Een dergelijke relativering van historische kennis is heel lastig, daar moet je voorzichtig mee omgaan, zo is een flink deel van de zaal van mening. Het moet vooral geen top-down-constructie worden, waarin de expert uitlegt dat jouw waardering voor jouw erfgoed historisch gezien heel goed te relativeren valt. Er moet kritisch gekeken worden naar de agenda van de bron. Dibbits is het hiermee eens, maar voegt daar gelijk aan toe dat dit ‘stapje terug’ ook voor de expert niet makkelijk is; het is voor iedereen ingewikkeld. Een voordeel, voegt Vroemen toe, is dat we het erfgoed dichterbij kunnen brengen. Iemand uit het publiek merkt op: “ik dacht dat geschiedenis altijd ging over wat geweest was maar nu zie ik hoe het nu ook belangrijk is”. Met erfgoedwijsheid kunnen we stimuleren om het verleden als iets meerstemmigs te zien. Door ‘erfgoedwijs’ te handelen kan getoond worden wat het verleden vandaag de dag betekent en hoe het vorm geeft aan ons perspectief van het verleden.

 


Mediabestanden


0 reacties

Plaats een reactie