Verstandelijk beperkten en de museale werkvloer

Op een avond zat ik thuis tv te kijken. Na wat heen en weer gezap kwam ik terecht bij het programma ‘Down met Johnny’. Het bleek een programma te zijn waarin presentator Johnny de Mol het dagelijks leven van mensen met een verstandelijke beperking volgt. Wat mij opviel was dat bijna alle jongeren die in het programma gevolgd worden een baan hadden. Zo werkte de één in de dierentuin, de ander in de bediening van een restaurant, en weer een ander had een baan als tuinman. Uitlopende banen dus waarvan duidelijk werd dat zij deze met veel passie, plezier en zorgvuldigheid vervullen. Ik begon mij af te vragen of er voor deze mensen ook banen in de museumwereld zijn weggelegd. In dit artikel zal ik proberen antwoord te geven op de vraag in hoeverre het wenselijk en mogelijk is vanuit het publiek dat mensen met een verstandelijke beperking werkzaamheden verrichten in musea.

De maatschappij

Voor mensen met een verstandelijke beperking geldt hetzelfde als voor mensen zonder beperking: men wilt deel uit maken van de maatschappij. Je wilt een goede plek om te wonen en een leuke baan om in je levensonderhoud te kunnen voorzien. Je wilt een eigen identiteit kunnen vormen.

Nog niet zo lang geleden werden mensen met een verstandelijke beperking als arbeidsongeschikt gezien. Men kreeg een uitkering en er werd passende dagbesteding gezocht. Tegenwoordig kijkt men hier anders tegenaan, men gaat er nu vanuit dat deze mensen kunnen werken en er wordt erkend dat dit voor hen, net als voor ieder ander mens, belangrijk is. Steeds meer mensen hebben dus een baan en er zijn verschillende instanties die de mensen aan werk helpt en hierbij begeleidt. Een voorbeeld hiervan is ’s Heeren Loo, één van de grootste aanbieders van ondersteuning aan mensen met een beperking. Hun aanbod qua banen is gevarieerd; van werken bij een manege tot een baan bij een supermarkt of kringloopwinkel.

Mijn zoektocht

Duidelijk is dat er voor mensen met een verstandelijke beperking volop werk is in allerlei soorten bedrijven. Ik begon mij af te vragen waarom ik geen musea ken die deze mensen onder hun hoede nemen. Ik zag meteen voor me hoe deze mensen fantastische gastheren en -vrouwen kunnen zijn die de bezoekers verwelkomen, de weg wijzen en de kaartjes verkopen. Of hoe zij het museumcafé runnen met veel plezier en openhartigheid. Of stel je voor, een rondleiding geven of het publiek iets vertellen over hun favoriete voorwerp in het museum. Mij zou het als bezoeker in ieder geval een extra waarde of ervaring aan mijn bezoek aan het museum geven. Voor de mensen lijkt het museum mij een hele mooie plek om te werken en waar hun inzet zeker gewaardeerd zou worden.

Ik ging op zoek. Ik vroeg mensen in mijn omgeving of zij musea kenden waar mensen met een verstandelijke beperking werken. Niemand kon er één noemen. Dat wil niet zeggen dat die musea niet bestaan, op internet vind ik vast tal van voorbeelden, dacht ik. Niet dus. Na lang zoeken en met hulp van Nico Halbertsma vond ik drie musea die werken met deze groep mensen: The Manchester Museum en The Imperial War Museum North (Manchester), die samen een training hebben ontwikkeld voor vrijwilligers, en het Autosloperijmuseum in Tiel. Het is een begin.

De musea

In 2007 zijn The Manchester Museum en het Imperial War Museum een samenwerkingsverband aangegaan met het vrijwilligersproject ‘In Touch’. De vrijwilligers volgen tien weken lang een training waarin ze o.a. kennis maken met het museum, leren hoe ze moeten werken met objecten, nieuwe vrienden maken en waarin ze vaardigheden op doen om een baan te zoeken. Het programma richt zich op een grote groep mensen; mensen die al heel lang werkeloos zijn, die een lager denk- en leerniveau hebben, jonge mensen die dreigen te ‘ontsporen’ én mensen met een beperking, zowel lichamelijk als geestelijk. Het project is een groot succes en geeft de deelnemers heel veel zelfvertrouwen. Dit programma is dus niet alleen gericht op mensen met een verstandelijke beperking, maar op een grote groep die buiten de maatschappij (dreigt) te vallen. Wat de ervaringen met en van de mensen met een verstandelijke beperking zijn heb ik helaas niet kunnen achterhalen, evenals de reacties van het publiek van beide musea.

Het derde museum dat ik vond is het Autosloperijmuseum in Tiel. In samenwerking met de organisatie ’s Heeren Loo biedt het museum een dagbesteding aan mensen met een verstandelijke beperking. Ik had contact met één van de medewerkers van het museum en zij vertelde mij het initiatief van deze samenwerking bij het museum zelf lag:

‘Omdat wij een sociaal maatschappelijk gevoel hebben binnen onze stichting. En het is toch ontzettend leuk als je die mensen zo ziet genieten van wat voor ons relatief weinig moeite is.’

Onder begeleiding verrichten de mensen een deel van de taken binnen het museum. Afhankelijk van wat de persoon kan nemen zij de jassen van de bezoekers aan, bieden ze drankjes en halen ze glazen op. Sommigen werken in de kantine, er worden auto’s gepoetst en gestofzuigd en anderen vinden het weer heerlijk om het buitenterrein en de tuin te onderhouden.

Een deel van deze werknemers heeft dus contact met de bezoekers. Hoe reageert het publiek hier op? 95% van de bezoekers is enthousiast, maar zo wordt mij verteld; ‘je hebt er natuurlijk altijd mensen bij niet zo sociaal gevoelig zijn als wij’.
Al met al is deze manier van werken een groot succes, zowel voor de mensen die er werken, als voor het museum en het publiek. Toch is dit museum het enige waarvan ik en de organisatie zelf weten dat ze op deze manier werken. Hoe zou dit toch komen? Volgens het museum omdat het qua werkzaamheden niet echt een meerwaarde heeft. Natuurlijk doen ze hele nuttige dingen, maar het kost heel veel tijd om dit alles te kunnen realiseren. ‘Ik denk dat tegenwoordig geld belangrijker is dan sociaal zijn en iets voor een ander doen’.

Het publiek

Musea hebben dus misschien een bepaalde houding ten opzichte van deze manier van werken; het kost veel tijd en geld. Maar een ander belangrijke factor waar rekening mee gehouden moet worden is natuurlijk het publiek. Wat zou men er van vinden als ze in een museum geholpen worden door mensen met een verstandelijk beperking? Waar ligt voor het publiek de grens wat betreft de werkzaamheden die door deze mensen uitgevoerd kunnen worden? En waarom denken zij dat er niet in meer musea op deze manier gewerkt wordt? Om hier een beter beeld van de te krijgen ben ik in mijn eigen omgeving eens rond gaan vragen bij verschillende mensen; de jongste is twintig, de oudste zestig, de één gaat bijna nooit naar een museum, de ander regelmatig.

Opvallend is dat alle mensen die ik deze vragen heb voorgelegd positief reageren op de vraag wat ze er van zouden vinden als ze in een museum in contact komen met een medewerker met een verstandelijke beperking. Enkele reacties zijn:

‘Ik zou het super leuk vinden als ik met dit soort mensen in aanraking zou komen, zeker als zij het zelf geweldig vinden om daar te werken. Als ze me ook nog wat nieuws kunnen vertellen over dat wat er te zien is (al gaat het over de lijst van een wereldberoemd schilderij, elke anekdote is leuk) zou het helemaal top zijn.’

‘Ik zou het fantastisch vinden als er deze mensen zouden werken in een museum, omdat ze ook deel uitmaken van onze samenleving en je ze niet moet verstoppen. Een museum is net als ieder andere instelling een werk- en ontmoetingsplek en geen cultuurtempel, dus deze mensen horen er gewoon bij’.

Sommigen merken op dat ze het fijn zouden vinden om van te voren te weten dat deze mensen in het museum werken. Niet dat ze dan niet naar het museum zouden gaan maar dan kunnen ze zich voorbereiden op hoe ze met deze mensen om moeten gaan. Maar daarom is het volgens iemand anders weer goed om met deze mensen in contact te komen: ‘Ik denk dat het goed is als mensen met een verstandelijke beperking meer in de maatschappij komen, op welke manier dan ook. Heb zelf een oom met het syndroom van down, en je merkt toch dat veel mensen een beetje bang zijn of geen zin hebben in dat soort mensen. Meer in aanraking komen met mensen met een verstandelijke beperking kan denk ik alleen maar voor meer begrip en minder angst (bij kinderen) zorgen’.

Welk werk men geschikt acht verschilt; de één vindt dat ze best een rondleiding kunnen geven als de medewerker echt zelf geïnteresseerd is in het onderwerp en er veel over weet; ‘Als het een kunstmuseum is zou ik het persoonlijk echt wel tof vinden. Misschien heeft diegene wel een hele andere kijk op de kunst die er te zien is’.
Anderen trekken hier de grens; niet omdat zij taken als rondleiden en suppoost niet aan deze mensen toevertrouwen maar omdat de medewerkers dit wellicht niet aankunnen. Duidelijk is dat er natuurlijk per persoon bekeken moet welke werk hij of zij aan kan.

En waarom denkt het publiek dat er zo weinig werk is voor deze mensen in musea? Het overgrote deel van de mensen denkt dat dit met geld en tijd te maken heeft. Deze mensen hebben extra begeleiding nodig, of vanuit het museum of vanuit hun woon-/werkorganisatie, meer mankracht kost dus meer geld. Bovendien denken sommigen dat deze mensen misschien niet de kwaliteit kunnen leveren die binnen musea gewenst is. Anderen zijn van mening dat musea denken dat het publiek er niets mee te maken wil hebben: ‘De musea hebben er of nooit bij stilgestaan, of ze vinden misschien dat hun bezoekers niet geconfronteerd willen worden met deze mensen of ze vinden botweg dat deze mensen niet bij de schone kunsten horen’. Dit laatste is volgens anderen ook de reden: ‘Misschien doet het de aanblik van een museum dalen?’ en ‘Musea willen erudiet zijn en dat sluit niet logisch aan bij een personeelslid met een verstandelijke handicap’.

De begeleiding

Eventuele bezoekers staan over het algemeen heel open tegenover het idee. Maar met alle respect, zij weten natuurlijk net als ik vrij weinig af van het leven en de belevingswereld van deze mensen. Om hier een meer over te weten te komen heb ik met twee mensen gesproken die in hun dagelijks leven met deze mensen werken; de één houdt zich op het moment bezig met mensen met een verstandelijke beperking (VB) en integratie in de maatschappij. Zij zou het erg waarderen als musea zouden meewerken aan deze integratie en een open houding aannemen op dit gebied; ‘Ik persoonlijk zou het erg leuk vinden, want deze mensen zijn meer dan een VB alleen en vaak hebben ze een trotse en gedreven houding wanneer ze een baan hebben. Daarnaast vinden ze het erg leuk om in contact te komen met mensen en maken graag een praatje’. Ook zij zegt dat het per persoon verschillend is welke werkzaamheden ze kunnen verrichten. Ze heeft een duidelijke verklaring waarom er nauwelijks musea zijn die deze mensen werk aanbieden, dit sluit aan bij het begin van mijn artikel waarin duidelijk wordt dat de visie op hun rol in de maatschappij verandert: ‘De reden waarom deze mensen nog niet veel in musea werken is omdat pas sinds een paar jaar de rol van mensen met VB ten opzichte van de samenleving veranderd is. Eerder zaten ze altijd in een gesloten afdeling, daarna in een instelling en pas sinds enkele jaren wordt integratie en participatie vanuit de overheid gesteund. Je ziet nu dat er sprake is van deconcentratie van organisaties. Dit houdt in dat er woningen zijn en worden gerealiseerd in woonwijken i.p.v. op één terrein ver weg van de bewoonde wereld. Ook de informatie over mensen met VB (denk aan onderzoek, erkenning als mens) is sinds tien jaar pas echt in opkomst. Er worden nu wetten opgesteld waarin sommige bedrijven minimaal één werknemer met een VB in dienst moeten nemen (denk aan supermarkten). Dit is allemaal sinds de visie van de overheid in samenwerking met zorginstellingen (waaronder die van mij; de Trans) integratie wil bevorderen. Het zou een goede zaak zijn om ook in musea deze mensen in dienst te nemen. Het is een groeiende populatie vanwege verbetering in o.a. de gezondheidszorg, waar dus ook op geanticipeerd moet worden’.

De andere persoon waar ik mee gesproken heb is zorgbegeleidster in een huis waar elf volwassenen (tussen de 20 en 60 jaar) met een verstandelijke beperking wonen. Zij werken allemaal buitenshuis, de één werkt op een zorgboerderij, de ander in een atelier en weer een ander helpt bij de groepsactiviteiten in een zorgcentrum voor ouderen. Of er voor deze mensen ook mogelijkheden zijn binnen musea? Zij denkt van wel: ‘Sommigen zouden goed in een museum kunnen werken mits ze een duidelijke taak hebben die niet vaak veranderd, weinig of geen verantwoordelijkheid hebben. Ze kunnen niet goed onder druk werken’.
Ook zij heeft een verklaring voor het weinig werkaanbod in musea: ‘Over het algemeen is het helaas zo dat mensen zonder een beperking een beetje huiverig zijn voor mensen met een verstandelijke beperking. Ze vinden ze vreemd, of niet snel genoeg, of te hard praten, of gek kijken enz. Maar dat zijn allemaal dingen waar je zo aan went’.

Het einde van mijn zoektocht

Tijdens mijn zoektocht ben ik maar drie musea tegengekomen die mensen met een verstandelijke beperking in dienst hebben; The Manchester Museum, The Imperial War Museum North (zij het op kleine schaal) en het Autosloperijmuseum in Tiel. Niet veel dus, terwijl ik er wel achter ben gekomen dat het publiek over het algemeen positief en open tegenover het idee staat van mensen met een verstandelijke beperking die in musea werken. Natuurlijk moeten er volgens hen duidelijke regels en structuren zijn en kan ook lang niet al het werk door hen gedaan worden, maar ik heb de indruk gekregen dat men het wel ziet als een positieve toevoeging aan de museumwereld. Ook vanuit de begeleiding van deze mensen komen positieve geluiden, zij vinden dat er voor deze mensen zeker werk is weggelegd in museumland en dat het belangrijk is dat de maatschappij meer met deze mensen in aanraking komt, als dit kan door middel van musea is dit hartstikke mooi.
Wat is mijn mening eigenlijk? Ik denk dat musea hele goede en inspirerende omgevingen kunnen zijn waarin deze mensen uitermate goed tot hun recht kunnen komen. Bovendien zijn musea afspiegelingen van onze maatschappij dus horen deze mensen hier zeker thuis in deze organisaties. Wellicht wordt het contact met mensen met een verstandelijke beperking laagdrempeliger, iets wat vanuit de overheid van harte wordt gesteund. Al met al denk ik dat musea hier heel erg goed op kunnen inspelen, op deze manier kunnen zij iets betekenen voor deze groep mensen maar ook voor de maatschappij.

Ik ben nu natuurlijk alleen maar ingegaan op de kant en mening van het publiek en de visie van diverse professionals binnen deze groep mensen. Wat vinden musea hier eigenlijk van? Zijn zij het eens met de opvattingen die in dit artikel zijn genoemd? Die kant van het verhaal is uiteraard ook het onderzoeken waard!


Mediabestanden


0 reacties

Plaats een reactie