Verslag Erfgoedarena November. “I am NOT Amsterdam: de regio als overloop van de metropool?”

Deze avond draait om de wisselwerking tussen de metropool en de regio en de rol die erfgoed en erfgoedinstellingen daarbij spelen. Thema's die aan bod komen zijn de druk van internationaal toerisme, de spanning tussen het centrum en de periferie, en de vermarkting van lokale identiteit.

Op 21 november is een zaal vol mensen uit allerlei windstreken bijeengekomen om te praten over de dynamiek tussen regio en metropool. Die wordt vanuit allerlei richtingen aangevlogen: omgaan met de druk van internationaal toerisme, gelijkwaardige samenwerking tussen ‘groot’ en ‘klein’, lokaal eigenaarschap van erfgoed in relatie tot een globaliserend cultuurlandschap en tot slot de polarisatie tussen de randstad en de regio. Tafelheer Riemer Knoop zorgt voor reflectie en bezinning.

De regio een plaats geven

Araf Ahmadali, senior beleidsadviseur kunst en cultuur van de gemeente Amsterdam, staat aan het roer van de samenwerking in de Metropoolregio Amsterdam. Die is al vijf jaar oud, en ondertussen een afspraak tussen drieëndertig burgemeesters en de gedeputeerden van twee provincies (Flevoland en Noord-Holland). Binnenkort worden dat er trouwens weer tweeëndertig, Weesp wordt “opgeslurpt” door Amsterdam.

Met de woorden van wijlen Eberhard van der Laan “Wat betekent dat nou, een verantwoordelijke hoofdstad?” benadrukt Ahmadali het belang van eigenaarschap in cultuur van onze steden. We moeten niet alleen kijken naar subsidiesystemen maar ook naar samenwerkingen om zo cultuur en erfgoed hoger op de stedelijke agenda te zetten. Zo kom je al snel terecht bij dwarsverbanden met ruimte, economie en mobiliteit. Vanuit deze kruisbestuivingen met het culturele veld is MRA-beleid ontwikkeld.

De MRA is een van de vijftien ‘regioprofielen’ in Nederland. Een regioprofiel is een gezamenlijke visie op kunst en cultuur van samenwerkende gemeenten en provincies, zo veel als mogelijk in samenwerking met het culturele veld. De vraag van minister van Engelshoven naar deze profielen hangt samen met de BIS-regeling (Culturele Basisinfrastructuur) 2021-2024. Even wat politieke context.

Drie jaar geleden vroeg het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW)aan de Raad voor Cultuur advies omtrent regionalisering en algemene regionale samenwerkingsverbanden. Die antwoordde dat een zogenaamde Regionale Infrastructuur (RIS) de Basis Infrastructuur (BIS) aan moest vullen. Dat wil zeggen dat er investeringen nodig zijn in de regionale culturele sector die niet geënt zijn op de culturele kwaliteiten in het westen van het land (zoals innovatie) maar waarmee ook een ander publiek met een andere behoefte tevreden kan worden gesteld. Dat was voor de MRA ook het moment om “een stip op de horizon te zetten”: een eigen beleidsprogramma.

Maart dit jaar reageerde minister Van Engelshoven graag zulke regioprofielen te zien, hoewel ze zelf geen voorstander van de RIS is. Ze wil de regio’s juist zelf laten nadenken: wie zijn ze en wat willen ze, inclusief een beschrijving van de culturele identiteit en de unieke kenmerken van een regio en het publiek dat erop af komt. Regioprofielen en de daarbij behorende zelfreflectie zorgen ervoor dat nieuw lokaal cultuurbeleid over gemeenschappelijke grenzen heen kan kijken, en daarmee ook breder gedragen kan worden. Daarnaast moet ook duidelijker worden wat voor positie RIS-instellingen willen innemen. Hoe gaan ze zich verhouden tot de BIS-instellingen? Dat betekent niet dat er wordt afgewacht. Proeftuinen worden ondersteund, net zoals matchingprojecten die de regio heeft voorgesteld. De MRA krijgt hier dus met haar beleidsplan ‘Meer dan Delen’ de kans om te laten zien wat regionale samenwerking kan betekenen binnen stedelijke ontwikkeling én een eventueel herzien subsidiestelsel.

Meer dan delen?

Het beleidsprogramma van MRA is niet geschreven voor de minister, noch voor het nieuwe cultuurbeleid in Amsterdam dat in 2020 wordt verwacht, benadrukt Ahmadali. Het trekt de lijn van de afgelopen vijf jaar door om cultuur, erfgoed en toerisme hoger op de agenda van stedelijke ontwikkeling te krijgen. Volgens Ahmadali is dit beleid juist bedoeld voor de hele regio, waarbinnen Amsterdam zich bescheiden opstelt als een van de zeven deelregio’s met een eigen rol en identiteit binnen het grotere geheel.

Met verschillende deelregio’s ontstaat er een bepaalde wederkerigheid, zeker als het aankomt op de toeristenstromen. Amsterdam heeft de regio nodig om samen de druk van het internationale toerisme aan te kunnen. Ondertussen heeft bijvoorbeeld Stichting Zaanse Schans Amsterdam – en diens investeringsklimaat – ook nodig. Zulke samenwerkingen resulteren in een bepaalde “trekkracht”. De ontwikkeling tot regionaal samenwerkingsinstrument is nodig om de groeiende globale stroom op cultuur-toeristisch gebied het hoofd te bieden.

Maar hoe gelijkwaardig is deze samenwerking? De naam Metropoolregio Amsterdam zet Amsterdam in de spotlight, niet de regio. Ook de marketing van Amsterdam, waarin het Muiderslot Amsterdam Castle wordt en Zandvoort Amsterdam Beach, is niet voor iedereen complementair. Zo past het Zaans Museum niet echt bij het Old Holland, en is het Cobramuseum ontevreden over de hem toebedeelde categorie Castles and Gardens. Maar niet iedere instelling ervaart het toeristische label van Amsterdam Marketing op dezelfde wijze. Het Muiderslot past vanuit zijn historische rol als onderdeel van het platteland rondom Amsterdam prima bij de MRA, zeggen zij zelf. Volgens de meeste bezoekers van deze Erfgoedarena maakt het uiteindelijk allemaal niet zo veel uit. Ook Amsterdam Marketing heeft maar weinig invloed op de verdieping en verbreding van het toeristisch label van Holland en Amsterdam. En het verschil maakt, met de schaal die de internationale toerist gewend is, toch niet uit. “Voor hen is heel Holland toch één grote stad”.

Toeristisch getouwtrek

Student Cheyenne Zwagerman spreekt vervolgens haar column uit. Volgens Zwagerman vullen de bike rentals, kaaswinkels en selfiestickverkooppunten de straten terwijl de toerist zich alleen zorgen maakt om de perfecte foto, in plaats van ons erfgoed. “Toerisme vernietigt dat [erfgoed] waar de toerist naar op zoek is”, omdat erfgoed een verlangen naar authenticiteit en identiteit vervult. Maar onder druk van het toerisme disneyficeert Amsterdam alleen maar verder. Mede dankzij de ondernemende mentaliteit van het Nederlandse volk ontstaan al deze makkelijk te consumeren beelden en producten, die echter uiteindelijk ten koste gaan van ons fysieke erfgoed. Volgens Zwagerman moeten we de toeristen juist stimuleren om zelf weer op zoek te gaan, naar oorspronkelijke stukjes Nederland, en die opnieuw zelf te waarderen.

De volgende spreker is Jan Hovers, directeur van het Zaans Museum. Volgens Hovers komen zogenaamde first time visitors, toeristen die Nederland voor de eerste keer bezoeken, vooral voor kaas, klompen en molens. Zaanstad is typisch Hollands en dat krijgen ze ook. Eventueel aangevuld met een bezoek aan alle Amsterdamse highlights met de prostituees, De Wallen, hasj, rondvaartboten en molens. Voor al die first time visitors wordt een eendimensionale monocultuur van Holland gepresenteerd die dankzij marktwerking steeds verder afvlakt. In plaats van het oudste industriegebied van Europa in 1850, daar waar de Zaanstreek uniek in is, is de Zaanstreek nu een bevroren beeld van vóór de industrialisatie.

Die monocultuur die de Zaanse Schans presenteert schrikt op zijn beurt weer andere groepen af, zoals de second time visitor die op zoek is naar verdieping. De zogenaamde “flitstoerist” is het gevolg. De afgelopen jaren heeft Hovers zich vanuit het Zaans Museum op wisselende manieren met de mensenstroom van de Zaanse Schans bezig gehouden. Het Zaans Museum draaide oorspronkelijk om industrieel erfgoed en richtte de aandacht op de Verkade Experience. De bezoekersaantallen bleven ver achter bij de 2,2 miljoen bezoekers van de Zaanse Schans.

En hoe kun je als erfgoedinstelling een tegengeluid vinden? Hovers realiseerde zich dat je als museum de toerist bij de hand moet pakken: “dit is het plaatje, en dit is het verhaal daarachter”. Het Zaans Museum heeft dit gedaan door het museum ook buiten de muren te plaatsen, met locaties die draaien om ambachten en living history op de Zaanse Schans.

Er zijn genoeg erfgoedinstellingen buiten de Randstad op zoek naar manieren om de internationale toeristenstroom naar de regio buiten de Randstad te begeleiden. De vraag hoe erfgoedinstellingen kunnen of moeten omgaan met het vermarkten van de culturele identiteit van een regio (of eigenlijk een land) blijft onbeantwoord. Wel is duidelijk dat de focus op West-Nederland (Holland) de rest van Nederland in overschaduwt. Er is onvoldoende balans tussen een oppervlakkig marketingplaatje en echte zingeving aan erfgoed. Een geografische machtsverhouding die terug te zien is op zowel internationaal (Nederland / Holland), nationaal (Amsterdam / de regio) als lokaal niveau (een internationale of lokale narratief).

En daarom, vult docente van de Reinwardt Joke Bosch aan, is het juist belangrijk dat steden opstaan voor de regio: “Durven te discrimineren, transparant omgaan met het verschil en meer delen.” Een ander voegt daaraan toe dat ook ‘eigenaarschap’ belangrijk is. Het begint met het bewustzijn dat cultuur en erfgoed het waard zijn voor de bewoners. Want zodra er geen gevoel is van eigenaarschap, zeker zodra er (inter)nationaal een ander beeld rondgaat, dan houdt het op. De politiek is hierin erg belangrijk, en daarbinnen is de rol van steden en regio’s aan het veranderen.

Tussen de randstad en de regio

Cor Wijn, landelijk adviseur cultuurbeleid, zoomt uit op dit gelaagde en complexe proces. Volgens hem gaat deze dialoog eigenlijk over cultuurbeleid in plaats van toerisme. Dankzij lokale krimp en verminderde economische groei is er in de regio’s veel van de culturele sector verdwenen. Zo zijn muziekscholen zzp-achtige verbanden geworden en zijn veel bibliotheken verdwenen. Waarom is dit verschil tussen regio en grote stad zo groot? Volgens Wijn zit dat in het effect van de decentralisatie. De gemeentes hebben financiële steun gekregen van de rijksoverheid maar tegelijkertijd een groter en zwaarder takenpakket gekregen. Gemeentes moeten dus bezuinigen en deze financiële ruimte wordt vaak gevonden in daar waar autonoom beleid gevoerd mag worden: in groenvoorziening en kunst en cultuur.

Wijn signaleert een lastig tijdsgewricht met een hoogopgeleide stad en ‘laagopgeleide’ periferie, en ziet een parallel met de brexit en de Amerikaanse politiek. Er zit een populistische trend in die gekeerd moet worden. Een voorbeeld is de recente uitspraak van VVD-kamerlid Thierry Aartsen tegen de subsidiëring van het concertgebouw in Amsterdam en voor het bloemencorso. Hij speelt daarmee in op de onderbuik, maar in de realiteit kan niet iedere stad deze keuze maken omdat ze daar simpelweg de middelen niet voor heeft.

De arena benadrukt dat het belangrijk is dat de overheid cultuur weer gaat erkennen. De meeste provincies hebben budget voor cultuur afgebouwd, op enkele uitzonderingen zoals Noord-Brabant na. Een regioprofiel kan als onderlegger dienen voor de rijksoverheid om weer in die culture infrastructuur te investeren en daarnaast om meer aanvragen te stimuleren vanuit de fondsen.

Samen sterk

Kortom, de economische en politieke belangen die bij regionale samenwerkingen zoals de MRA om de hoek komen kijken zijn niet gering. De MRA is een politieke discussie die op z’n best gaat over de druk van internationaal toerisme op culturele identiteit en op z’n ergst over een dreigende tweedeling in de samenleving. Wijn beschrijft hoe je moet oppassen dat de stad en het platteland in, met en dankzij deze politiek niet tegen elkaar worden uitgespeeld. Het is belangrijk om als erfgoedinstelling op te komen voor je eigenwaarde en die van de regio, bewust van de rol die je speelt en op welke (ruimtelijke) schaal. Zo kan erfgoed niet zomaar gebruikt worden om mensen uit elkaar te drijven maar kan het juist worden ingezet om de sociaal-maatschappelijke thema’s die horen bij verstedelijking terug te zetten op de politieke agenda.


Mediabestanden


0 reacties

Plaats een reactie