Verslag Erfgoedarena april: De Nieuwe Museumdefinitie

Voordat de Erfgoedarena goed en wel is begonnen roezemoest het al in de zaal. Een titel zoals deze roept nu eenmaal vragen op. Is er zoiets als dé definitie voor een museum?

Een stevige opdracht met dito ondersteuning bestaande uit een drietal columns, twee videocolumns en dat alles onder leiding van tafelheer en lector aan de Reinwardt Academie Riemer Knoop en gespreksleider Imre Vegh. De aanleiding voor deze discussie is het voornemen van de ICOM (International Community of Museums), om de museumdefinitie te herzien. Nieuwe definities kunnen tot 20 mei worden ingediend, mooi op tijd voor de ICOM-conferentie in Kyoto in september 2019.

Meer over het ontwikkelen van deze nieuwe definitie kun je hier vinden.

Het belang van een definitie

Voorop staat dat de huidige definitie niet zozeer fout is, maar eerder inadequaat. De huidige definitie, opgesteld in 1947, is meerdere malen uitgebreid. De laatste uitbreiding stamt uit 2012, toen immaterieel erfgoed aan de definitie werd toegevoegd. Ondanks dat de definitie in de afgelopen decennia een stuk breder geworden, blijft de grondhouding instellingsgericht, met een focus op objecten en behouden. De rek is eruit.

Een definitie is nooit enkel een naam, maar waarborgt een proces van betekenisgeving en waardering. Ter illustratie vergelijkt Riemer Knoop musea met een ruggengraat. Aan de ene kant houden ze ons staande, aan de andere kant maken ze ons flexibel en buigzaam. Dat wat binnen de definitie valt houdt ons staande, het vertegenwoordigt een ideale invulling van de definitie. Dat wat ons flexibel en buigzaam maakt, zijn de randen. Aan die randen wordt getornd aan de definitie in een poging om daarbinnen of buiten te vallen. Herdefiniëring stelt de museale sector in staat om het normale te herijken, in plaats van uit te breiden.

De relevantie van het museum

De drie sprekers kaderen het onderwerp verder in. Als eerste aan zet is Margriet Schavemaker, artistiek directeur van het Amsterdam Museum. Schavemaker benadrukt dat de praktijk inmiddels anders is dan op papier. Zo staat er in de huidige definitie dat musea geen winstoogmerk mogen hebben. Ook klemt de definitie bij musea die zich positioneren als onderzoekscentra in plaats van een klassiek treasure house. Het zijn voorbeelden van ontwikkelingen die strikt genomen buiten de definitie van een museum vallen. Maar bovenal zijn musea van de 21e eeuw organisaties die in beweging zijn. Musea zijn plekken waar discussie wordt aangemoedigd, experimentele makers worden gefaciliteerd en de sociale cohesie wordt bevorderd.

Volgens Arnoud Odding, directeur van het Rijksmuseum Twenthe en de Museumfabriek, is een nieuwe definitie helemaal niet nodig. Toen Odding directeur was van het Glasmuseum in Leerdam, was dit het enige rijksmuseum dat niet geregistreerd stond bij het Museumregister. Wat Odding zo tegenstond, was de gesloten definitie, terwijl het museum volgens hem een open blik hoort te hebben. Musea als plekken van verwondering, grenzeloos, waar je de wereld verkent, verbeeldt en betekenis geeft, waar je vrij mag associëren. Idealen, zoals het bijeenbrengen van mensen en het overbruggen van een maatschappelijke kloof, zijn niet neutraal maar politiek. Een museum is een vrijplaats voor de homo ludens en hoort dan ook afstand te behouden van idealen, die het zicht op de werkelijkheid vertroebelen.

De derde spreker is Marjan Ruiter, directeur van het Zeeuws Museum. Zij geeft het publiek geen definitie maar confronteert de zaal met een drietal casussen waaruit de problematiek van de definitie blijkt. Ook zij heeft haar bedenkingen over het Museumregister, maar probeert veranderingen van binnenuit te bewerkstelligen.

De eerste casus is voor de meeste aanwezigen bekend, het grachtenhuis in Amsterdam dat als museum zonder materiele collectie inmiddels toch geregistreerd staat. Een tweede uitzondering op de regel zijn musea die niet op winst gericht mogen zijn, maar een heleboel musea zijn dat inmiddels wel. Een derde uitzondering op de regel zijn musea zonder vaste locatie, zoals het Rotterdam Museum dat de afgelopen jaren een tijdje nomadisch was. Met het handhaven en interpreteren van een definitie, door middel van het Museumregister, wordt geprobeerd het kaf van het koren te scheiden. Tegelijkertijd werkt dit soms nieuwe ontwikkelingen tegen doordat deze buiten de definitie (en dus het Museumregister) vallen.

Impact voor het Nederlands museaal stelsel

Wat is er zo problematisch aan de huidige definitie? ‘Museum’ is geen beschermde term in Nederland, iedereen kan en mag dus een museum beginnen en het ook zo noemen. Om de kwaliteit te kunnen bewaken is er het Museumregister. Als je je daarvoor wilt inschrijven moet je als museum aan bepaalde voorwaarden voldoen. Uitzonderingen, zoals Marjan Ruiter al duidelijk maakte, zijn er zeker. Soms worden die gemaakt in de vorm van een gelieerde instelling, zoals bij de Kunsthal die wel een museumregistratie heeft, maar niet meedoet met de Museumkaart.

Registratie heeft voordelen, bijvoorbeeld de Museumkaart, maar ook sommige fondsen stellen registratie als voorwaarde. Het gaat echter niet alleen om geld, maar ook bepaalde codes zoals Code Culturele Diversiteit, de Fair Practice Code en Code Cultuur worden via dit soort collectieven gehandhaafd. Eigenlijk kan deze discussie over herdefiniëring dus worden beschouwd als getouwtrek om belangen van instellingen en geen inhoudelijke academische discussie.

Er volgt een videocolumn van Jasper Visser, consultant en docent aan de Reinwardt Academie. Visser hoopt dat deze nieuwe definitie meer ruimte biedt voor culturen en mensen. Er is een soortgelijke discussie gaande bij bibliotheken, vertelt hij. Grote internationale bijeenkomsten worden in het kader van deze discussie georganiseerd, waarbij ieders stem aan bod komt. Geen vrijblijvende dialoog, maar een discussie waar er veel ruimte is om op de inhoud in te gaan.

Het belang van de discussie

Is een herdefiniëring wel nodig? In de zaal wordt veel ‘ja’ geknikt, want de discussie houdt de sector scherp, op ieder niveau en ieder vakgebied. Ontwikkelingen zoals globalisering houden musea scherp. Westerse musea, veelal ontstaan als treasure-keepers verhouden zich tot musea die hun sociale rol (Zuid-Amerika) of immaterieel erfgoed (Azië) voorop stellen. Ook binnen Europa zijn de verschillen soms groot, zoals tussen Noord- En Zuid-Europa over de functie van musea. Ook in Nederland wordt deze discussie gevoerd, maar te veel top-down, zo valt uit de zaal te horen. De professionals zouden moeten beslissen. Een scherpe definitie zorgt ervoor dat musea buiten beleidsvisies en financieringssystematiek vallen, wat het lastig kan maken het hoofd boven water te houden. Aan de andere kant is het lastig om beleid te maken op een te vage definitie.

Het helpt daarbij om niet te denken in wat een instelling is, maar wat deze doet. Dus geen ‘museum’ maar een ‘museum service’. Arnoud Odding voegt hieraan toe dat het verraderlijke aan deze discussie is dat het proces van herdefiniëring een speelbal kan worden van politieke ontwikkelingen die wereldwijd gaande zijn. ICOM houdt zich veelal bezig met de institutionele kant van musea, maar je doet jezelf tekort als je niet ziet waar dit naartoe kan gaan. Een nieuwe museumdefinitie is ook een belofte voor de toekomst: dat musea er zijn om iets goeds te betekenen en niet om geld te verdienen.

The eye of the beholder

Het gezamenlijk komen tot de kern van wat een museum is, is een bijzonder lastige opgave. Het presenteren, of in ieder geval het overbrengen van iets (een gevoel, stukje informatie, een ervaring) behoort tot die kern. Ook het contextualiseren, het vertellen van (visuele of tekstuele) verhalen rondom objecten of onderwerpen, is iets dat een museum een museum maakt. Andere, schijnbaar simpele, aspecten zoals ‘publiek’ worden vrij snel weer geschrapt. Als een museum niet bezocht wordt, kan het nog steeds een museum zijn. De betekenis die ontstaat in the eye of the beholder in een museale context is dat wat een museum zo bijzonder maakt.

Het afsluitende videocolumn van oud memorial-lecturer Kavita Singh schijnt hier licht op. Zij vertelt een prachtig verhaal waaruit duidelijk wordt wat een museum met objecten én mensen doet. Het verplaatsen van een object uit een traditionele context naar een nieuwe, met een nieuw verhaal voor een nieuwe gemeenschap, heeft een bepaalde magie. Deze re-enchantment haalt ons uit onze gescheiden werelden en brengt ons samen op basis van een nieuwe narratief. Volgens Singh moet een museum een seculaire plek zijn, vrij van religie en geloof, waar iedereen kan samenkomen, zelfs in verdeelde tijden zoals deze.

De rafelranden van de definitiekwestie

Het was een Erfgoedarena waar ongedwongen en ongebonden nagedacht kon worden. Maar het was bovenal een productieve avond waarin het museum van de toekomst werd beschreven als een gelokaliseerd museum, waarin cultuur wordt getoond die van betekenis is en die deze plek relevantie geeft. Voor deze avond is een passende definitie voor musea voor de komende vijftig jaar minder van belang, het gaat meer om de continue zoektocht (en discussie) dan om het einddoel an sich.

Een museumdefinitie die past bij het huidige spectrum aan diverse musea is lastig, maar om dit voor alle continenten en de toekomst te doen is haast onmogelijk. Als wij, als musea, onszelf definiëren, zit daar al enorm veel kracht in. Niet op basis van verschillen, maar door te kijken naar de gedeelde normen en waarden. De politieke gelaagdheid van deze waarden, waar hedendaagse problematiek zoals klimaatverandering en migratie aan bod komen, lijkt een valkuil. Het streven is dat musea er voor iedereen zijn, ongeacht politieke voorkeur of afkomst.

Zo druk als we zijn met musea verbinden met mensen, verliezen we iets anders uit het oog: wat verbindt musea? In ieder geval de dialoog zelf, die gevoerd wordt tijdens bijeenkomsten zoals deze.

 

 


Mediabestanden


0 reacties

Plaats een reactie