Queering the Collections

De Erfgoedarena van 2 april 2014 was heel bijzonder. Op deze laatste Arena met Leontine nog in functie presenteerde zij een project dat ze vorig jaar met de Masters had gedaan, in samenwerking met het Amsterdam Museum: Aids Quilts. Daar was onderzocht hoe je kunt of moet omgaan met de lappendekens die nabestaanden sinds de jaren tachtig als gedenkteken (memorial) voor overleden AIDS-slachtoffers hebben gemaakt. Dat is relevant in een tijd dat er minder mensen aan de vreselijke ziekte overlijden, en de nabestaanden zelf hoogbejaard worden. Het Amsterdam Museum ontwikkelde samen met de Reinwardt en de Stichting Namen, de brongemeenschap op dit onderwerp, een systematiek voor omgang met deze vraag.

Maar de grotere kwestie was Queering the Collection. Hoe moeten publieke archieven en musea zich verhouden tot LHBT-erfgoed, zoals de gemeenschap van homo's lesbo's, bi's en transseksuelen (Vlaams: holebi's) tegenwoordig wel aangeduid wordt. Moeten ze actief acquireren, pro-actief presenteren, snel lacunes vullen? Het project AIDS-quilts gaf daar al een antwoord op: pas op, die gemeenschap is niet homogeen, en er vallen ook, gek genoeg, niet-LHBT's onder. Zeker niet alle AIDS-slachtoffers waren gay, zeg maar.

Het thema Queering the Collections hangt samen met de de Europride, die zich in 2016 gedurende twee weken in Amsterdam afspeelt, en ook een cultureel programma heeft. Daarin zou in tal van musea iets over LHBT-geschiedenis duidelijk moeten worden. Om de musea zover te krijgen wordt er volgend jaar een internationaal congres gehouden over het "pink" gehalte van collecties in archieven en musea. Wat zit er aan LHBT al in en is herkenbaar of vindbaar, wat is nog onzichtbaar, wat ontbreekt? De arena was een eerste sondering van dat onderwerp.

Naast Leontine Meijer debatteerden ook Lonnneke van den Hoonaard, directeur van IHLIA, het internationale homodocumentatiecentrum, en Annemarie de Wildt, conservator Amsterdam Museum, met een zeer geïnspireerde zaal. Daar zat een voor de arena's ongebruikelijk hoge concentratie mannelijke bezoekers, en ook veel studenten. De discussie werd door spreekstalmeester Imre Vegh ("vindt u dat ik u mag vragen wie hier zelf tot de besproken groep hoort?" "Nee, dat doet er niet toe", was het algemene antwoord) behendig heen en weer gestuurd. Conclusies: je moet voorzichtig zijn met het museaal "outen" van historische figuren uit perioden waar het label "gay" evident misplaatst is - maar tegelijkertijd oppassen dat je zo niet een onterechte onzichtbaarmaking bevestigt. Je moet musea er niet toe dwingen, dat wil zeggen het moet wel een zekere logica hebben in relatie tot bijvoorbeeld de collectie. Maar is het inderdaad zonder meer duidelijk dat, zeg, 17de-eeuwse meubels per definitie niets met andersoortige gevoelens te maken hebben? En het is ook niet evident dat kennis van de sekse of seksuele identiteit van een maker/kunstenaar niet van belang is voor de beoordeling van een werk.

Tenslotte, en daar raakte de vrm. Reinwardt-lector Van Mensch stevig in debat met de vrm. COC-voorzitter Van Dalen: een gemeenschap moet zelf kunnen bepalen wat haar erfgoed is (Mensch), maar soms krijg je die identiteit en dus ook de iconen daarvan, ongevraagd opgedrongen (Dalen), met zeer treurige gevolgen, bijvoorbeeld door enge types in ultra-reactionaire Afrikaanse situaties. Het hele punt is dat door de LHBT-gemeenschap te verbijzonderen je een instrument schept voor andere behandeling, die wel eens zeer onaangenaam kan zijn. Daar staat tegenover: "Ze" zijn een aspect van "ons". Met "hullie tegen zullie" schiet niemand iets op, ofschoon extra zichtbaarheid soms even nodig kan zijn. En ook laten musea zich wel motiveren door mensenrechten: "Wij zijn een publiek platform, voor en van iedereen - alle groepen hebben daarom evenveel recht zich bij ons gepresenteerd en gerepresenteerd te zien" (Amsterdam Museum).

Riemer Knoop


Mediabestanden


0 reacties

Plaats een reactie