Een ijzeren hert

De leukste archeologische tentoonstelling ever ging over de Betuweroute, een decennium of wat terug.

Iemand had het idee gekregen om alle Romeinse scherven die daar waren gevonden in een grote vitrine samen te brengen. Een Rapsodie in Rood! Een landschapje changeant oranjeroodpurper! Een perkje rossige rommel, aangespoeld op het strand van de tijd. Zonder bozige classificaties of technische toelichting. Poëzie, toeval, achteloze gekunsteldheid – ik vond het wel wat hebben. Maar ik durfde dat niet hardop te zeggen. Je nam je eigen vak er immers niet erg serieus mee. Terwijl het helemaal geen gek idee is om een kunstenaar te vragen zich te laten inspireren door historisch materiaal en daar zelf een eigen, autonoom antwoord op te geven, of tenminste eens iets anders mee te doen. Door het contrast zie je de dingen soms veel beter. Gelukkig zitten we in de archeologie tegenwoordig goed in de bekroonde dichters (Esther Jansma) en schrijvers (David van Reybrouck). We hebben zelfs een klein archeopoëzieuitgeverijtje, Weleer geheten.

Laatst zag ik langs het spoor tussen Weert en Roermond een levensgroot, stalen beeldenpaar staan. Het waren de silhouetten van een hert met jager, of jager met hert, een markering van een mesolithische vindplaats, nabij het gehucht (op zichzelf al een mini-gedicht:) Kelpen-Oler, de plek was de Milden, het project de reconstructie van de Tungelroyse Beek. Ik heb het niet verzonnen. Maar heel prozaïsch was men in de publiciteit vergeten de naam van de kunstenaar te vermelden. Laat ons hopen dat die wel prijkt op het naar verluidt ter plekke geplaatste informatiebord (vanuit de trein niet waargenomen), ter ontsluiting van deze publiek-privaat betaalde installatie. Aan de andere kant: verwaaid, verweesd, vergeten... is dat niet de menselijke conditie?

Maar het is de vraag of dat soort poëtische verstrengeling van publiek erfgoed met eigentijdse kunst straks nog kan. De VVD heeft het laten uitzoeken. De Teldersstichting, de liberale denktank, publiceerde begin maart 2012 een eigen kijk op cultuur en sport. De overheid is volgens haar in de naoorlogse periode veel te betuttelend geworden. Ze is wel gek dat ze voor alles maar betaalt. Nu is dat voor erfgoed en musea dat niet zo erg, want daar zien de liberalen een belangrijke publieke taak, mits gericht op behoud en educatie en “in een passende context” (maar over wat dan passend is en wie dat bepaalt wordt de lezer niet veel wijzer). Voor podiumkunsten ligt dat anders: te beperkt in bereik en veel te duur per stoel. Die moeten toch echt in stand worden gehouden door de mensen die ervan profiteren en genieten. Maar er is een uitzondering: podiumuitvoeringen die een uitgesproken erfgoedfunctie hebben (de Zevende van Beethoven, het Zwanenmeer) mogen weer wel. Op in dit verband bedenkelijke cultuurgenres als beeldende kunst gaat het rapport niet in. Maar ook die moeten vast door het hoepeltje van het behoudsargument springen. Draagt iets daar niet toe bij? Weg ermee – althans, dan houd je je eigen broek maar op! Misschien komen we nog net weg met roestige edelhertsilhouetten langs het spoor te Kelpen-Oler. Dat is immers kunst ten dienste van herinnering en behoud.


Mediabestanden


0 reacties

Plaats een reactie