In Rio voor ICOM

Download

indrukken Rio ICOM 2013 PDF

Nou, dat was me een weekje wel, zeg. Midden in de winter met af en toe stralende dagen en 30 graden plus, tussen ijskoude en regenachtige perioden. Nou ja, koud: 17 graden C maar wel met keiharde wind en
wolkbreuken. Was nog leuk bij luxe-vrienden van vrienden langs, die in een heus bankdirecteurencompound in een buitenwijk wonen. Zeer hartelijk ontvangen. Maar het was vrijdagmiddag en ik kwam uit de stad, dus toch wel 2,5 uur met de taxi in de file, waarbij die taxi dan opeens niet meer zo heel goedkoop is: 100 reaal (40 euro), ofwel een half weekinkomen van de modale Braziliaan. Het congres, een driejaarlijkse wereldtoestand voor 2.500 museumtypes van all over the world, was
in een monsterlijk prestigecomplex-op-poten, ooit Cidade da Musica gedoopt, maar bij gebrek aan bespeling opportunistisch hernoemd tot Cidade das Artes – en nog kwam er geen hond. Geen wonder, in een slaapstad op een strook á la Miami Beach van 40 kilometer lengte en vijf tot 10 rijen dikke luxe middenklasse flats en semi-laagbouw. Er zullen naar schatting een half miljoen mensen wonen – met maar 1 (schrijve: één) toegangsweg vanuit het centrum. Acht- tot twaalfbaans, dat dan weer wel, maar de halve Randstad wurmt er zich in de spits doorheen, dus tel uit je winst. Die hebben helemaal geen tijd voor kunst, muziek of cultuur.
Die staan in de file. Of rennen door ijskoud geairco'de megamonsterwinkelcentra. En warmen dan weer op op het strand. Er wordt daar nu gebouwd aan het Olympisch terrein voor 2016. Ik wens ze veel succes.

Voordeel van een nieuwe, excentrische locatie is natuurlijk wel veiligheid. De city van Rio is buiten kantoortijd
een no-go area. Daar heb je minder last van in, zeg, Buitenveldert. Daar staat tegenover dat je de aan- en
afvoer van, in ons geval, je congressanten van allerlei rare plekken moet zien te regelen. Ik telde een vloot
van in totaal 70 toerbussen die een week lang werd ingezet. Tegen een billijke dagprijs van drie- tot vierhonderd euro, vooruit, ben je dan toch zo twintigduizend euro verder. Eenmaal daags heen, dito terug. Als je
pech had werd je om 07 uur opgehaald en om 19 uur afgeleverd, voor een modernig hotel op een vergelijkbaar nietzeggende plek. Er waren bijna geen mensen, hoorde ik, die in hotels in de stad zaten – want die
stonden niet op het rijtje van 25 prefered partner-hotels (pph) van het congres, toch vanaf 150 euro pppn.

Met het oog op de portemonnee had ik besloten geen pph te nemen, en evenmin zin in een gedeeld appartementje, want ik vind me te oud voor een stapelbed onder een snurkende kamergenoot. Via Booking.com kwam ik uit bij een alleszins billijk geprijsde posada, een pension, niet te ver van het congrescentrum. Voor de 5 km naar het congres had ik eerst een fiets in gedachten – maar had geen rekening gehouden met de multibaans en immer verstopte snelweg. Dat werd dus stadsbus of taxi met een lieve collega die in de buurt in een net hotel bivakkeerde. Bij nadere kennismaking bleek het bij mijn pension om een uiterst eenvoudig backpackersding te gaan, met wel vier kamers, op een mini-eilandje in de lagune van Rio met alleen laagbouw. Het Ilha da Gigóia kent geen auto's, geen brommers, alleen lokale types en is met het vaste land verbonden via een stuk of wat pontjes die gaan wanneer er klandizie is. Een oase van rust en veiligheid. Iedereen houdt elkaar in de gaten. Voor een prikkie ook nog eens van en naar vliegveld gehaald & gebracht. Maar het posadaatje had weer wel pas wifi wanneer je geheel uit het raam hing. Tsja.

Het congresgebouw, bijgenaamd de Witte Olifant, stond dus 10 jaar leeg, waarvoor de toenmalige burgemeester de staat Rio nog 400 miljoen reales boete moet terugbetalen wegens wanbeheer en vermoedelijk onnette financiële praktijken. Toen wij aankwamen, vorige week zaterdag, waren er nog geen entreewegen of bewegwijzering. Taxi's met collega's die al even poolshoogte waren gaan nemen moeten er uren omheen gecirkeld hebben. Maar in de congresweek ontsloten de plek en het gebouw zich geleidelijk aan toch wel. In de tientallen zalen van 200 tot 2000 stoelen werkte eerst niks, behalve de airco, dus alle dames
haalden na een uurtje heur wollen omslagdoeken te voorschijn. De heren bleven ridderlijk rillen. Het gebouw was heel modernistisch ook tropisch halfopen. Bij de rainy spells, zie boven, woei dan fijn de lunch weg –
oeps daar gaat mijn slablaadje!

Wat doe je op zo'n congres? Het betrof ICOM – de door de VN en UNESCO erkende internationale branchevereniging van museumprofessionals. 32.000 leden, 30 internationale comités op alle mogelijke gebied die allemaal een eigen mini-congresje onder auspiciën van de collectiviteit hielden, al of niet mooi voorbereid. Ik had ervoor gekozen om te shoppen en bij de ene club na de andere te gaan kijken. Kop en staart van de week voorzagen in plenaire programma's met politiek-bestuurlijke hotemetoten en keynotesprekers. Nou, geshopt is er, voor zover er althans viel uit te vinden waar wat speelde. Buiten de 32 (!) zalen in het complex zelf hadden nogal wat comités delen van de week of soms de volle tijd buiten de centrale locatie geboekt. Maar van dat alles was geen overzicht. De organisatie verwees naar websites, die echter wegens technische problemen niet te bereiken waren. Want toen het gebouw werd neergezet bestond wifi nog niet (zie boven). Resultaat een hilarische postmoderne hutspot van desinformatie, vele mensen die eindeloos en toenemend radeloos rondzwierven, en altijd vrolijk lachende Brazilianen die e.e.a. geweldig creatief en relaxed vonden. En daar hebben ze gelijk in, want ook dat is een stukje culturele interactie.

Inhoudelijk was het thema van het congres de wat wonderlijk ogende mathematische vergelijking “memory + creativity = social change”. Daarmee duidden de Braziliaanse organisatoren op de noodzaak om musea niet alleen als retrospectieve geheugeninstellingen op te vatten, maar juist te combineren met eigentijdse – geëngageerde – creativiteit. Onder de juiste omstandigheden worden ze dan actoren in een maatschappelijk veranderingsproces, bij voorkeur positief. Trefwoorden: emancipatie, sociale rechtvaardigheid en gelijkheid, inclusiveness als het ware. Dat is een mooie en uiterst relevante agenda. Alleen werd die maar op een enkele plek van echte, althans voor mij toegankelijke of begrijpelijke energie voorzien. De inzet van musea om minder bedeelde mensen, laten we het gerust zo noemen, te helpen verder te komen is een volstrekt legitieme keuze. Bij die karig bedeelden horen trouwens ook, om voor mezelf te spreken, gender minderheden. Waarom musea dan? In de woorden van David Fleming, directeur van National Museums Liverpool en
mede-architect van het vorige maand gelanceerde Museums Change People-programma van de Museums Association in het Verenigd Koninkrijk: omdat we (a) een uniek medium zijn dat allerwegen gerespecteerd en vertrouwd wordt en (b) we bezwaarlijk alleen maar de zelffelicitatie van de zittende macht zouden moeten dienen.

Musea zijn uitgelezen partners voor maatschappelijke bewegingen die geen platform of communicatiekanaal hebben. De issues lopen van geweld, slavernij, multiculturele samenleving, discriminatie, lezen/schrijven en arbeidsmarkt tot onderwijs, vluchtelingen en, inderdaad, gender, inclusief HIV/AIDS, homohuwelijk en gelijke rechten. Gelukkig was er bij het half dozijn resoluties dat de ICOMconferentie
aannam ook een die, mede dankzij de alertheid van Reinwardt-collega Leontine Meijer – van Mensch, precies daar over ging: mainstreaming gender in museums. Dat is niet iets modieus' of alleen maar voor de buren, maar uiterst actueel en dichtbij. Indirect werd Rusland de les gelezen, natuurlijk. Maar direct werd er een pleidooi gehouden om je als museum bewust te zijn van je eigen perspectief. Voor mij: waarom
lees je in het nieuwe Rijks nergens dat het niet gek was dat prins Willem III in 1702 kinderloos overleed – hij was immers van de heren? Of in Huis Doorn dat een mogelijke achtergrond voor de strijdlustige opstelling van Wilhelm II in de 1e Wereldoorlog zijn betrokkenheid was, in 1908, bij een homo-schandaal rond zijn kabinet (de affaire-Eulenburg)? Of in Museum Bredius dat de reden voor Abraham Bredius' zelfgekozen verbanning uit Nederland niet alleen belastingvermijding maar misschien ook enige opspraak rond zijn nogal uitgesproken gay life in Den Haag kan zijn
geweest – inclusief koninklijke inmengingen? Vele comités hebben ongetwijfeld goede zaken gedaan, mooie contacten gefaciliteerd, bijgedragen aan allerhande professionalisering en uitwisseling. Er werd
verder alom gestemd, gekozen, verklaard, toegelicht. Alle RWA-collega's hielden voordrachten, evenals vijf (!) van onze Masterstudenten. “Reinwardt” blijkt een goed ingeburgerd en hogelijk gewaardeerd merk. Leontines en Peters nieuwe COMCOL, voor collecting, verkreeg onder groot applaus de status van permanent internationaal comité – een indrukwekkend wapenfeit. Maar het belangrijkste van zo'n bijeenkomst is misschien wel, in de woorden van vertrekkend hoofd
Publiek van het Tropenmusuem Hans van de Bunte, dat de hele museumwereld periodiek gedwongen is even “intercontinentaal” te luisteren, te denken en te reageren. We hebben het redelijk voor elkaar hier, met de musea in de Oude Wereld. Maar er is elders van alles waar het echt anders gaat, en het is niet aanstonds duidelijk dat “wij” het
per definitie bij het rechte eind hebben, of dat men elders straks uitkomt waar wij nu al denken te zijn. Zo zit niemand vreselijk op Europa te wachten. En verder lijdt de dertigvoudige indeling in inhoudelijke clubjes en onderclubjes een beetje aan metaalmoeheid. Wat musea gemeen hebben is niet dat ze spullen verzamelen, of zo, maar dat ze een brugfunctie in samenlevingen vervullen, op basis van kennis over toen, betrokkenheid bij het nu en gedeelde aspiraties voor de toekomst. Kritische reflectie daarop, en het delen van visies en ambities
– dat is de core business van ICOM, of zou het moeten zijn. Wie weet.

Mijn eigen vreugde lag daarnaast ook in het ontdekken van aspecten van Rio waar je niet 1-2-3 aan denkt. Zo wandelde ik de laatste vrije dag vóór het congres, op een zondag, maar es een toevallige favela in. Zo'n “sloppenwijk”, waarvan Rio er wel veertig heeft, op vrijwel elke helling namelijk, is niet meer heel eng sinds het stadsbestuur besloot om eerst en vooral de drugs-gerelateerde criminaliteit consequent aan te pakken. En sinds de favelado's zelf begonnen door te hebben dat ze wereldberoemd aan het worden zijn. Door de hoge bevolkingsdichtheid is de sociale controle er groot. De kruip- en sluipdoorgangetjes en trappen langs de half open gevels van de makeshift huizen en hokjes maken dat iedereen je in de gaten houdt. De twee keer dat ik aarzelde (links of rechts?) werd ik direct van alle kanten bijgestaan. “U moet er heeeeeeeeeelemaal omheen”etc. – dat maakte ik uit de handen-en-voetentaal op. Dat is wel even andere koek dan de uitgestorven allees in de buitenwijken. Een week daarna liepen we door een andere
favela, nu met negen collega's en een boze Duitse gids, maar
dat is toch net anders. In ganzenpas achter elkaar en alleen de
bredere trajecten, of smaller maar dan perifeer, hoe zeg je dat.
Maar de lokaal goed ingevoerde rondleider brengt je op plekken
die nog nergens in gidsen staan. Wat een ontdekking. Nu vlug naar het vliegtuig.


Mediabestanden


0 reacties

Plaats een reactie