Fake or real, does it matter?

Een ethiek essay voor het vak erfgoed theorie

Van maandag 14 oktober tot en met vrijdag 18 oktober bracht ik vanuit mijn opleiding Cultureel Erfgoed een bezoek aan Londen. Deze excursie stond in het teken van ‘de bezoeker als uitgangpunt’. Op woensdag 16 oktober bekeken we de meubelkunst in de vernieuwde vleugel van het Victoria & Albert museum. Dit museum werd opgericht in 1852 als gevolg van het succes van de eerste Wereldtentoonstelling het jaar ervoor. Voor het ontwerp van de nieuwe tentoonstellingsvleugel was veel publieksonderzoek voorafgegaan. Een curator van het museum legde ons uit welke afwegingen er gemaakt waren om op de verschillende doelgroepen in te kunnen spelen. Hierna kregen we de tijd om op eigen gelegenheid het museum te verkennen...

Ik besloot wat door het museum te dwalen. Na enige tijd kwam ik uit in een grote zaal die vol stond met kolossale objecten. Er waren beelden van mensen en dieren, graftombes, zuilen en altaren. Geen van alle objecten was afgezet met een koord of verhoging. Hierdoor moest ik bijna voorzichtig zijn om niets aan te raken. Dit zou achteraf gezien geen ramp geweest zijn. Bij het verlaten van de zaal, die de Cast Courts bleek te heten, kwam ik namelijk tot de ontdekking dat alle objecten geen originelen, maar gipsen afgietsels waren.

Geschiedenis
De Cast Courts zaal in het Victoria & Albert museum stamt uit 1873. Tot die tijd werden de gipsen afgietsels verspreid door het museum tentoon gesteld. Na een verhuizing van het museum in 1857 werden in 1870 de eerste plannen gemaakt voor een aparte zaal. De collectie afgietsels groeide ondertussen uit tot een indrukwekkende verzameling. Zo verkreeg het museum in 1864 een afgietsel van de zuil van Trajanus uit Rome. Daarnaast nam de belangstelling voor reproducties in die tijd toe door een hernieuwde interesse voor de Renaissance(Neoclassicisme) en de mogelijkheid om grote objecten te vervoeren per boot of trein.

Toch was er ook weerstand voor het tentoonstellen van de gipsen afgietsels van kunstobjecten. Zo beargumenteerde Wilhelm von Bode, toenmalig directeur van de koninklijke musea in Berlijn, in de late jaren 70 van de 19e eeuw dat een gipsen afgietsel veel minder waard zou zijn dan het origineel. Zijn standpunt verkreeg meer aanhang onder curatoren en kunsthistorici in de jaren 20 van de 20e eeuw. In die tijd ontstond het modernisme dat het traditionele idee verwierp van de Oudheid als bron van kennis en waarheid. Daarmee werd het bestuderen van gipsen afgietsels uit de Oudheid de rug toegekeerd.

Ethische vraagtekens
Als een gipsen afgietsel veel minder waard is dan het origineel, zoals Wilhelm von Bode beargumenteerde, wat betekent dat dan voor de waarde van de Cast Courts? Is het wel de taak van het museum om ‘nep’ objecten te verzamelen en tentoon te stellen? Behoort de collectie van een museum niet uitsluitend uit authentieke objecten te bestaan? Welke waarde vertegenwoordigen gipsen objecten? Zijn ze het waard om tentoon te stellen? En hoe verandert de waarde van afgietsels door de komst van 3D-printers? Door de laatst genoemde ontwikkeling lijkt de discussie weer actueel te zijn geworden.

Verzamelen
De eerste afgietsels van gips werden al gemaakt in de 16e eeuw. Het verzamelen ervan werd echter pas populair rond de tweede helft van 19e eeuw. De collectie gipsen afgietsels van het V&A, dat in diezelfde tijd opende, werden al vanaf het begin beschouwd als een belangrijk onderdeel van de collectie. Ze voorzagen in twee belangrijke speerpunten van het museum, namelijk ‘the improvement of public taste of design’ en ‘the application of fine art to objects of utility’ .

Naast de lange geschiedenis van het verzamelen van gipsen afgietsels is de omvang en kwaliteit van de collectie ook als bijzonder waardevol te beschouwen. Bij sommige objecten is het bijna niet voor te stellen hoe iemand van alle details een kopie van heeft kunnen maken. Het maken van gipsen afgietsels is een kunst an sich. Daarnaast heeft het museum afgietsels van topstukken uit de kunst, waarvan in sommige gevallen het origineel niet eens meer bestaat. Verder zijn de afgietsels uit het V&A bijzonder geschikt als referentiemateriaal van de originele staat voor restaurateurs.

Authenticiteit
Toch wil ik niet beweren dat gipsen afgietsels dezelfde waarde hebben als authentieke objecten en dat het voor musea niet uit maakt of zij in het bezit zijn van een kopie of het origineel. Een belangrijke verantwoordelijkheid van een museum is namelijk de zorg dragen voor de integriteit van authentieke objecten. Zo staat in de ethische code van ICOM: ‘museum hold primary evidence for establishing and furthering knowledge’ . Daarmee wordt bedoeld dat authentieke objecten zich het best lenen voor wetenschappelijk onderzoek en het vergroten van onze kennis.

Voor sommige museumbezoekers is het zien van een authentiek object zelfs al rede genoeg om naar een museum te komen. Neem de rijen voor de Mona Lisa in het Louvre, die doen denken aan een bedevaart reis. Wat nou als het niet mogelijk is om een authentiek object tentoon te stellen? Bijvoorbeeld wanneer het object door het museum is uitgeleend aan een andere instelling omdat met de opbrengsten daarvan een belangrijke investering gedaan kan worden. Wel weer vervelend als je dan speciaal vanuit China naar Parijs bent gekomen en voor een lege wand staat.

Toegankelijkheid
Daarom ben ik van mening dat het tentoonstellen van een kopie een goed alternatief is, waar door musea vaker gebruik van gemaakt mag worden. Het museum vergroot daarmee de toegankelijkheid van haar collectie voor bezoekers. Dit is ook een ander belangrijke verantwoordelijkheid van musea en wordt als volgt genoemd in de ethische code van ICOM: ‘museum provide opportunities for the appreciation, understanding and management of the natural and cultural heritage’ .

De toegankelijkheid van de collectie wordt niet alleen vergroot doordat objecten regelmatiger te bezichtigen zijn, zij het in sommige gevallen kopieën, maar ook doordat er vaak minder belang is bij de staat van het object. Kopieën zijn technisch reproduceerbaar en bestaan vaak in meerdere aantallen. Het museum kan zich vervolgens onderscheiden door bezoekers toe te staan de ‘nep’ objecten aan te raken of tentoon te stellen in de buitenlucht. De belevingswaarde van een kopie mag daarom niet onderschat worden.

Walter Benjamin
Toch zal een kopie nooit dezelfde belevingswaarde hebben als zijn origineel. In 1936 schreef Walter Benjamin hier al een essay over genaamd ‘het kunstwerk in het tijdperk van zijn technische reproduceerbaarheid’. Daarin benoemd hij dat het zelf aan de meest volmaakte reproductie ontbreekt aan één ding; namelijk het ‘aura’, een uniek bestaan op de plaats waar het object zich bevindt . Het aura reikt verder dan het object. Het zijn de rituelen die toeschouwers hebben in hun omgang met een authentiek object. De moderne technische reproduceerbaarheid van het kunstwerk leidt volgens Benjamin ook tot het verdwijnen van zijn aura .

Conclusie
Zoals eerder genoemd heeft een museum verschillende verantwoordelijkheden waaronder zorg dragen voor de integriteit van authentieke objecten en het toegankelijk maken van haar collectie zodat bezoekers er van kunnen genieten en leren. Als de nadruk bij de missie van het museum ligt op het toegankelijk maken van de collectie, is het gebruik maken van kopieën naar mijn idee het overwegen waard.

Kopieën kunnen gaten in de collectie opvullen en beschikken over voldoende belevingswaarde voor bezoekers. Verder is het gebruik van kopieën kostenbesparend. Het aandeel kopieën in een museale collectie zou naar mijn idee afhankelijk moeten zijn van de missie van het museum. Door gebruik te maken van 3D-printers kan een museum heel dicht bij de originele staat van het object komen. Gipsen afgietsels representeren daarentegen een bewonderenswaardige kunst uit het verleden.

Tot slot wil ik graag opmerken dat musea het gebruik van kopieën goed kenbaar moet maken aan bezoekers en liefst ook moeten kunnen onderbouwen. Musea hebben, nog meer dan naar hun objecten, een sociale en maatschappelijke verantwoordelijkheid. Janet Marstine, founding director aan het Institute for Museum Ethics, pleit daarom voor ‘radical transparency’. Want het verschil tussen een echte of nep Mona Lisa kan er toe doen voor een bezoeker uit China...

Bronnen:
- The History of the Cast Courts, 7 november 2013. <http://www.vam.ac.uk/content/articles/t/the-cast-courts>
- ICOM Code of Ethics for Museums. 2013. Hoofdstuk 3. Blz. 6.
- ICOM Code of Ethics for Museums. 2013. Hoofdstuk 4. Blz. 8
- Ruijters, V. 2009. ‘Samenvatting Walter Benjamin. Het kunstwerk in het tijdperk van zijn technische reproduceerbaarheid.’
- Rutten, G.J.E. ‘Over het begrip ‘aura’ in Walter Benjamins kunstwerkessay’.


Mediabestanden


0 reacties

Plaats een reactie