Collectiemobiliteit, een beproeving of een zegen?

Een ethische kwestie over collectiemobiliteit. Hoe pak je dat als culturele instelling aan? Deze gewaagde zet is een hele beproeving maar werkt het in het voordeel van de instelling dan kan het beschouwd worden als een zegen.

Dat de kunst- en cultuursector het moeilijk heeft is inmiddels algemeen bekend. Culturele instellingen worden steeds vaker gedwongen hun eigen broek op de houden. De instellingen die voorheen konden rekenen op subsidie moeten op zoek naar een alternatieve geldbron. Een veel toegepaste oplossing hiervoor is het verhuur van ruimte voor feesten, bijeenkomsten of cursussen. Ook komt het steeds vaker voor dat men de toegangsprijs verhoogt en het aanbod in de museumwinkel wordt uitgebreid.
Wat in de regel wordt vergeten is om de grootste kostenpost aan te pakken, namelijk de collectie. In veel gevallen is nog geen 5% van de collectie in de opstelling van musea te zien. Het overige deel ligt opgeslagen in het depot. Het is nu eenmaal een feit dat collectiemanagement een grote kostenpost is. De opslag en het klimatiseren ervan kost meer dan het oplevert. Een mogelijke oplossing voor dit probleem is collectiemobiliteit. Maar waarom kan collectiemobiliteit bijdragen aan de inkomsten van culturele instellingen?

De collectie heeft vandaag de dag een andere functie dan in het verleden. Het beheer en behoud van de collectie heeft nog wel een hoge prioriteit, maar de collectie wordt vooral ingezet ter promotie van de instelling. De collectie is immers het product waar de bezoeker entreegeld voor betaalt. Collectiemobiliteit kan de interesse voor de collectie versterken, zowel voor het museum als voor de bezoekers.

Een goed initiatief op het gebied van collectiemobiliteit is van Museum Beelden aan Zee te Scheveningen. Het organiseerde een veiling waarbij de vrienden van het museum een jaar lang een object konden adopteren. De achterliggende gedachte hiervan was niet alleen het vullen van de kas, maar vooral een poging om de collectie het depot uit te krijgen. Daarnaast wilde men meer interesse wekken onder de vrienden voor beeldhouwkunst. Het museum startte in 2011 met dit bijzondere initiatief en haalde maar liefst €40.000 op. Omdat de veiling een groot succes was heeft het museum besloten dit jaarlijks te herhalen.

Ideeën als deze zijn meestal makkelijker gezegd dan gedaan. Voor Museum Beelden aan Zee was het verhuren van hun collectie eenvoudig uitvoerbaar, aangezien dit een particulier museum is en beelden minder last hebben van klimatologische schommelingen. Voor musea die een overheidscollectie beheren ligt het wat ingewikkelder. Hierdoor kan er niet zomaar een object mee naar huis worden gegeven. Men moet zich realiseren dat niet elk onderdeel van de collectie geschikt is voor collectiemobiliteit. Gaat de conditie van het object door de uitleen niet achteruit, behoudt het zijn structurele identiteit als het van context verandert? Zoals een uitspraak van Kenneth Hudson verduidelijkt; "Een opgezette tijger in een museum is een opgezette tijger in een museum en geen tijger".

Of het raadzaam is om een object uit te lenen, hangt geheel af van de staat van het object, het soort object en de identiteit van het object. Collectiestukken met een internationale identiteit zullen minder snel worden uitgeleend dan objecten met een nationale, provinciale of regionale identiteit. In het algemeen geldt: gebruik is slijtage.
Als men niet wil dat de conditie van het object achteruit gaat, kan het beter voorgoed in het depot worden opgeborgen. In het geval van de tijger in het voorbeeld van Hudson verandert alleen de context. Men kan zich hier afvragen: is dit erg? In principe niet, wel als de functie mee veranderd. De museumtijger gaat als object van de archeologische context naar de primaire context , maar de functie verandert niet. Dit geldt ook voor het voorbeeld van Museum Beelden aan Zee.

In de regel is het zo dat musea met overheidscollecties alleen uitlenen aan instellingen waar de klimatologische omstandigheden volgens een bepaalde norm zijn. Doorsnee woningen vallen bij deze af. Wat wordt vergeten is dat de norm vooral van belang is voor de A- en B collectie. Men kan zich sterk afvragen of dat ook voor de C- en D collectie moet gelden.
Als die norm wordt losgelaten voor de C- en D collectie, dan komen deze objecten in aanmerking om als veilingobjecten voor verhuur te worden ingezet, zoals dat is gebeurd bij Museum Beelden aan Zee.

Collectieadoptie blijft een onderwerp met vragen. Het is niet alleen een kwestie van regels en richtlijnen, maar ook een kwestie van durf. Neem de C- en D collectie als uitgangspunt: negen van de tien keer wordt daar toch niks mee gedaan. Belangrijk is om duidelijke en heldere afspraken vooraf te maken, vastgelegd in een verhuurcontract. Kijk goed naar het soort object, de conditie en de identiteit van het object. Als het Museum Beelden aan Zee lukt om via collectieadoptie een aardig bedrag bij elkaar te halen, waarom zou het andere musea dan niet lukken? Museum Beelden aan Zee bracht de depotkwestie onder de aandacht met de leus: "Kunst in de opslag is dood geld".
Het is niet alleen een goed promotiemiddel voor het museum, maar zorgt ook voor meer bewustwording van de collectie.


Mediabestanden


0 reacties

Plaats een reactie