Wie wil er nu geen minigids en de nieuwe manier van rondleiden ervaren?

De minigids, of ook wel juniorgids genoemd, is een goed inzetbaar middel om meer jong publiek naar de instelling te trekken. Maar wat betekend dit voor de kwaliteit van de rondleidingen en de vast doelgroep van de instelling?

Op 14 en 15 september 2013 was het weer open monumenten weekend. Door heel het land werden er diverse monumenten opengesteld voor het belangstellende publiek. Naast een gratis bezoek is er vaak ook de gelegenheid om vragen te stellen aan een deskundige of deel te nemen aan een rondleiding. Zo'n weekend als dit is razend populair en trekt duizenden bezoekers. Wel is het zo dat men met uitjesdagen als deze een bepaald publiek trekt; de geïnteresseerden in dit geval zijn vooral 50-plussers. Niks mis mee toch?
Amsterdam dacht daar anders over en wilde naast de 50-plussers meer jeugd aantrekken naar de Amsterdamse monumenten. Het wilde af van het standaardprogramma en het stoffige imago. Om dit te bereiken koos men voor een bijzondere aanpak: er werden minigidsen ingezet, kinderen onder de 16 jaar. De succesfactor hiervan is inmiddels bewezen, want dit jaar was inmiddels alweer de vijfde editie. Als het antwoord op de vraag hoe trekken we meer jonge mensen aan? zo simpel is, zouden we dan niet vaker gebruik moeten maken van minigidsen?

Dit Amsterdamse initiatief heeft haar succes inmiddels bewezen. In de uitvoering van dit jaar hield men de rondleidingen op drie verschillende locaties: De Oude Kerk, De Bazel en de Beurs van Berlage. Dit bijzondere initiatief is niet alleen drempelverlagend voor bezoekers, maar wekt ook nieuwsgierigheid op. Daarnaast is het leerzaam voor de deelnemende jongeren. Het is ook goed voor hun algemene ontwikkeling en hun bewustwording van de waarde van erfgoed.

Wat we ons echter af kunnen vragen is welke nadelen het heeft. Deze jongeren hebben ten eerste begeleiding nodig, want zij mogen minder verantwoordelijkheid dragen dan een volwassen persoon. Daarnaast hebben de jonge gidsen minder ervaring en kennis in huis in vergelijking met een volwassen persoon. Ook gelden er voor jongeren speciale arbeidsvoorwaarden waarmee men rekening dient te houden.

De beperkte verantwoordelijkheid die de jongeren kunnen dragen kan worden opgevangen door het toevoegen van een volwassen vrijwilliger. Er is vaak een enthousiaste verzorger of ouder te vinden die wil assisteren. In veel gevallen is het ook zo, dat er iemand van de historische vereniging aanwezig is om specifieke vragen te beantwoorden. De speciale arbeidsvoorwaarden die gelden voor jongeren onder de zestien zijn geen belemmering zolang de werkzaamheden buiten schooltijd plaats vinden en de veiligheid kan worden gegarandeerd. Het feit dat minigidsen minder kennis en ervaring op zak hebben zorgt ervoor dat de rondleiding een andere invulling krijgt. Het is van invloed op het leerproces en de ervaring van de deelnemers. Zoals een uitspraak van David Kolb luidt: "leren is het proces waarbij kennis wordt gecreëerd door het verwerken van ervaringen". Een rondleiding van een senior historicus die alles weet over het desbetreffende onderwerp zal een andere indruk bij de bezoeker achterlaten dan in dit geval een rondleiding door een minigids.

Kolb onderscheidt in zijn theorie twee dimensies van leren: ervaren en begrijpen. Daarnaast onderscheidt hij het verschil tussen extern en intern leren. Bij de dimensie ervaren en begrijpen gaat het om de manier waarop men grip krijgt op een ervaring en hoe men deze binnenhaalt. Extern en intern leren richt zicht op de wijze waarop een ervaring wordt verwerkt. Aan de hand van deze dimensies kan men vier leerstijlen onderscheiden: de leerstijlen van de Doener, de Dromer, de Denker en de Beslisser. De traditionele rondleider is vooral gericht op het begrijpen. Het publiek wat hier op afkomt wordt vooral gevormd door beslissers en denkers. De minigidsen daarentegen zijn vooral gericht op het ervaren waardoor dit vooral doeners en dromers zal aanspreken.

De leertheorie van Kolb wordt al veel toegepast in musea, dus waarom niet bij een activiteit als deze? Daarnaast zijn de manieren van leren niet leeftijdsgebonden, wat dus een deelname van de 50-plus doelgroep niet uitsluit bij een rondleiding door minigidsen.
En voor wie de stap te groot is om uitsluitend minigidsen in te zetten, kan worden gekozen voor een combinatie van minigidsen en traditionele rondleiders. Hierdoor heeft het publiek de keus tussen een standaardrondleiding met veel kennisoverdracht of een rondleiding in alternatieve vorm. Want de kennis en ervaring die bij de minigidsen ontbreekt, kan worden opgevangen door andere elementen. Zo kan men denken aan het gebruik van informatie via een tablet of smartphone.

Het inzetten van jongeren als gids heeft dus vele voordelen. Het is niet alleen een middel om naast het gebruikelijke publiek van voornamelijk 50-plussers een jonger publiek aan te trekken, maar het geeft ook een nieuwe verfrissende blik op het fenomeen rondleiden. Door de focus op het beleven te leggen verlaagt het de drempel voor degenen die anders niet zo snel zouden deelnemen aan een rondleiding.


Mediabestanden


0 reacties

Plaats een reactie