'We the Museum'

Een samenvatting van het onderzoek van Lies Slot naar wat online communities van musea kunnen leren van online buurtcommunities.

De hoofdvraag van dit onderzoek luidt: wat kunnen online communities van musea en online buurtcommunities, anno 2014, van elkaar leren? Op deze vraag is geprobeerd een antwoord te vinden door het stellen van de volgende deelvragen:

1. Wat is de relevantie van publieksparticipatie in en rondom het museum?
2. Wat zijn de kenmerken van een (online) community, wat definieert een ‘succesvolle’ community en wat is ‘Sustainism’?
3. Wat zijn de kenmerken van buurtcommunities Boloboost en ilovenoord - en in hoeverre sluiten deze communities aan bij de waarden van het Sustainisme?
4. Wat zijn de kenmerken van het Hart en de Community Joods Monument (online communities van het Amsterdam Museum en het Joods Historisch Museum) - en in hoeverre sluiten deze communities aan bij de waarden van het Sustainisme?
5. Wat zijn de overeenkomsten en verschillen tussen online communities van musea en online buurtcommunities?
6. Welke conclusies kan uit de vergelijking tussen de online communities van musea en online buurtcommunities worden getrokken?

In hoofdstuk één van dit onderzoek wordt ingegaan op de veranderde rol van musea. Vooral door de opkomst van het internet hebben erfgoedinstellingen niet langer het ‘alleenrecht’ op kennis die zij voorheen min of meer wel hadden. Informatie is overal en altijd binnen handbereik door het internet – en biedt ongelofelijk veel mogelijkheden wat betreft praten, delen, remixen, reageren. Musea komen niet meer weg met enkel zendgedrag, ze kunnen niet langer zeggen dat zij de wijsheid in pacht hebben.

Na de constatering dat de rol van het museum is veranderd komt de vraag: wat moet het museum nu doen? Dit is een actuele discussie in het erfgoedveld. Opnieuw moet het museum haar maatschappelijke relevantie aantonen en op een nieuwe manier een connectie maken met het publiek. Daarvoor moeten musea de mens weer centraal stellen, en niet het object, en de bezoeker uitnodigen om actief te participeren. En hóé doe je dat dan? Een online community kan een tool zijn om de museumbezoeker actief te laten participeren. Het is daarom van professioneel belang dat musea zoveel mogelijk leren over het vormgeven van een online community; iets waar dit onderzoek aan kan bijdragen.

In hoofdstuk twee van dit onderzoek wordt beschreven wat een (online) community in wezen is en hoe je het succes van een community kan meten. Dat laatste liet zich moeilijk beschrijven. Want de kwaliteit van een online community is niet per definitie te meten aan het aantal volgers via Twitter, vrienden op Facebook of aantal websitebezoekers. Kwaliteit is geen absoluut gegeven, maar is relatief. Hoe toon je aan dat een community succesvol is? Ik heb gepoogd dit kwalitatieve oordeel te vellen met behulp van de normen van het Sustainism.

Binnen de Hogenschool voor de Kunsten is tijdens een Capita Selecta lezingenreeks in 2013, het begrip Sustainism geïntroduceerd. Als wij Joost Elffers en Michiel Schwarz moeten geloven bepaald het Sustainism tegenwoordig en in de toekomst hoe wij onze leefomgeving vormgeven en waarden vaststellen; hier wordt in hoofdstuk drie verder op ingegaan. Binnen dit onderzoek is daarom besloten het Sustainisme (de Nederlandse term die in de rest van dit document gebruikt zal worden) te gebruiken als methode van onderzoek. Zou de mate waarin de communities aansluiten bij de kwaliteiten van het Sustainisme ook iets zeggen over het succes van de verschillende communities? Kun je elementen uit het Sustainisme halen die succes kunnen voorspellen? Is het Sustainisme überhaupt toepasbaar als methode? Deze methode is nog nooit eerder toegepast op online communities. Er is gaandeweg ervaren of dit werkt. In de conclusie wordt teruggekomen op de bruikbaarheid van deze onderzoeksmethode.

Om te onderzoeken in hoeverre alle communities die onderzocht zijn aansluiten bij de waarden van het Sustainistisch tijdperk is er een meetinstrument ontworpen. Per waarde binnen het Sustainisme (delen, lokaliteit, verbondenheid en proportionaliteit) zijn een aantal kwaliteiten beschreven, waarop de verschillende communities op meer of mindere mate kunnen ‘scoren’; zie hiervoor hoofdstuk vier.

Binnen dit onderzoek is er voor gekozen doormiddel van het Sustainisme, het onderzoek uit te werken in vier casussen. Dit zijn de online buurtcommunities Boloboost en ilovenoord, en de communties het Hart en de Community Joods Monument; de online communities van het Amsterdam Museum en het Joods Historisch Museum. Zie hiervoor hoofdstuk vijf tot-en-met acht.

In hoofdstuk negen worden de verschillende onderzochte online communities van musea en buurtcommunities met elkaar vergeleken. Er is een schema opgenomen dat inzichtelijk maakt hoe de verschillende communities scoren op de kwaliteiten van het Sustainisme. De Community Joods Monument en Boloboost scoren het hoogst (32 punten) gevolgd door ilovenoord (25 punten). De community Het Hart scoort het laagst met 12 uit de 36 te behalen punten.

Maar deze scores zeggen niet alles. In hoeverre kunnen de waardencriteria uit het model van het Sustainime iets zeggen over het succes van de verschillende communities? Er is sprake van succes als een organisatie erin slaagt de voor zichzelf gestelde doelen te halen. Op basis van die aanname is gekeken welke doelstellingen de organisaties voor zichzelf hebben geformuleerd, en of de mate waarin de organisaties aan de waardencriteria van het Sustainisme voldoen, kan worden verbonden aan deze doelstellingen.

Kijkend naar de relaties tussen doelstellingen en kwaliteitsscores van de vier communities valt op dat bij de twee communities die het laagst scoren (ilovenoord en Het Hart) op de waarde ‘proportionaliteit’ de relatie met de eigen doelstellingen ontbreekt. Bij de waarde ‘verbondenheid’ ontbreekt deze verbinding ook bij de laagst scorende community Het Hart. Bij de waarden ‘delen’ ontbreken bij Het Hart eveneens twee van de drie koppelingen.

Hoewel er bij een diepere analyse van de onderzoeksgegevens wellicht nog meer relevante correlaties kunnen worden gevonden, wordt hier volstaan met de vaststelling dat waar de verbondenheid met de communityleden niet centraal wordt gesteld, er geen - of in onvoldoende mate - sprake is van een succesvolle relatie met een actieve achterban die bijdraagt aan de organisatiedoelstellingen.

In hoofdstuk 10 Conclusie en aanbevelingen: willen musea ook in de toekomst een band houden met hun publiek dan zullen zij meer en beter gebruik moeten maken van de interactieve mogelijkheden die internet - in het bijzonder sociale media - biedt.

Uit het onderzoek bleek dat alle onderzochte organisaties de verbondenheid met hun publiek als belangrijk doel hebben geformuleerd. De buurtcommunities hebben serieus werk gemaakt van de opbouw van een online community. Interactie met deze community ontstaat daar waar de community echt ruimte krijgt om kennis toe te voegen aan de organisatie. Daar waar de communityleden deze ruimte niet krijgen is geen sprake van een actieve achterban die waarlijk iets bijdraagt aan de organisatiedoelstellingen.

Een van de twee onderzochte communities van musea, de Community Joods Monument, is succesvol gebleken in het behalen van de eigen doelstellingen door op een serieuze manier gebruik te maken van de interactieve mogelijkheden van internet. De andere - het gerenommeerde Amsterdam Museum - is daar veel minder in geslaagd. Uit het onderzoek blijkt dat dit vooral te wijten is aan het ontbreken van interactie met de achterban. Er wordt vanuit het Amsterdam Museum vooral gezonden, weinig ontvangen.

Hoewel de het gebruik van het Sustainisme als methode van onderzoek heeft geleid tot (enkele) bruikbare antwoorden, werd de toepassing als moeizaam ervaren. De waarden binnen het Sustainisme zijn moeilijk ‘hard’ te maken: ze laten zich slecht vertalen naar objectieve normen. Maar het Sustainisme is dan ook een betrekkelijk nieuwe stroming. Op termijn zal ze zich mogelijk eenvoudiger lenen als methode van onderzoek.


Mediabestanden


0 reacties

Plaats een reactie